Editie januari 2015

Rubriek: 

Ann De Craemer: 'En toen durfde ik weer naar de bakker'

Het is zomaar de achttiende letter uit het alfabet. Maar zeg nooit ‘zomaar’ tegen de r, want er is in het Nederlands geen andere klank met zoveel uitspraakvarianten. 

Die opmerkelijke verschillen in uitspraak zijn het onderwerp van het proefschrift van Koen Sebregts, waarmee hij op 7 januari promoveerde aan de Universiteit Utrecht. Sebregts onderzocht de hedendaagse r-variatie in grote steden van Nederland en Vlaanderen: wie gebruikt welke r?

Bijna alle r’en uit de wereldtalen zijn in het Nederlands aanwezig, van de getrilde tongpunt-r tot de Gooise r — in Vlaanderen door nog geen tien man en een paardenkop gebruikt. In het zuidelijke Nederlands komt vooral de tongpunt-r voor, en gebruikt een derde van de sprekers de huig-r.

Als kind beheerste ik geen van beide. Ik krulde mijn onderlip snel naar binnen en liet die langs mijn bovenste tanden glijden, waardoor een klank naar buiten rolde die een kruising was tussen een w en een r.

'In de klas stak ik enkel nog mijn vinger op wanneer in het antwoord geen r voorkwam.'

Mijn vier jaar oudere zus had ooit een soortgelijke r, misschien had ik die dus van haar overgenomen. Zij leerde de tongpunt-r met de nodige oefening zelf, weliswaar na aandringen van mijn ouders. Bij mij wilde het maar niet lukken. Ik kreeg thuis steeds vaker te horen dat ik logopedie moest volgen, maar zodra dat onderwerp ter sprake kwam, begon ik te huilen: nee, nee en nog eens nee! Ik zou het wel alleen leren.

Op mijn elfde lukte het nog steeds niet en schaamde ik me zozeer om mijn uitspraak dat mijn spraakgebrek – want dat was het - mij sociaal isoleerde. Ik durfde amper nog naar de bakker te gaan omdat ik dan ‘brood’ moest zeggen, en in de klas stak ik enkel nog mijn vinger in de lucht wanneer in het antwoord geen r voorkwam.

Omdat ik het nu zélf wilde, stemde ik in met logopedie. De logopediste bracht elke donderdag anderhalf uur met mij voor de spiegel door en legde daarbij een engelengeduld aan de dag. Toen ik vier maanden later niet langer een r had die anderen vreemd deed opkijken, voelde ik me als herboren.

Dat bracht me al op jonge leeftijd het besef bij dat taal een wezenlijk onderdeel is van je identiteit. Ik was bevrijd. Ik durfde weer te spreken en naar de bakker te gaan. Daarom: mijn applaus voor alle logopedisten, die in de wereld van de taalkunde niet altijd veel aandacht krijgen, maar er wel in slagen mensen een stukje van zichzelf terug te geven.

Ann De Craemer (1981) is niet alleen Master in American Studies maar ook columniste en auteur. Ze debuteerde met Duizend-en-één dromen. Een reis langs de Trans-Iraanse Spoorlijn (Uitgeverij Lannoo, 2010), dat werd genomineerd voor de VPRO Bob den Uylprijs voor het beste literair-journalistieke reisboek. In haar prozadebuut Vurige tong (De Bezige Bij, 2011) vertelt ze het verhaal van haar katholieke  jeugd in het West-Vlaamse Tielt. Haar nieuwste roman Kwikzilver verscheen in 2014 bij De Bezige Bij. 

De Craemer schrijft elke week een column voor de website van HP/De Tijd. Ze is een van de vaste columnisten van Taalunie:Bericht.