Editie mei 2015

Arnon Grunberg
Arnon Grunberg
Rubriek: 
Auteur: 
Arnon Grunberg

Arnon Grunberg: Vreemde taal

Maakt het uit in welke taal je met de therapeut spreekt; in je eigen taal of in een tweede of derde taal? Zou het spreken in een taal die je minder goed beheerst tot meer inzicht leiden omdat je gedwongen wordt langer na te denken over gedachten en ervaringen?

Mijn hypothese luidt dat therapeut en patiënt (of cliënt) gebaat zijn bij het spreken in een andere taal dan de moedertaal, omdat je dan moet afzien van al te vertrouwde constructies. Het gevaar van gehakkel ligt op de loer, maar wat normaal een gevaar is, of althans met misprijzen kan worden ontvangen, is in een therapeutische setting allicht ook een winstpunt.

Hoe beter ik de taal beheers, hoe makkelijker het mij valt mij te verbergen - dat wil zeggen hoe subtieler ik in staat ben zoveel nuances aan te brengen in het spreken over mijzelf dat dat spreken feitelijk neerkomt op een vorm van uitvlakken.

Alleen al de Nederlandse uitdrukking ‘vreemde talen’ wekt de indruk dat er een taal is, je moedertaal, die niet vreemd is, dus taal kan thuis zijn. Dat huis kun je verlaten door vreemde talen te gaan spreken. Sommige mensen houden levenslang een accent, anderen spreken al snel accentvrij maar soms is hun schriftelijke beheersing van de vreemde taal weer matig. Er zijn mensen die hun moedertaal verliezen na lang verblijf in het buitenland, die niet meer op bepaalde woorden kunnen komen, die constructies gaan maken die niet correct zijn, die woorden uit de zogenaamde vreemde taal gaan terugvertalen naar de moedertaal.

De vreemdheid van die nieuwe constructie kan lachwekkend zijn – denk bijvoorbeeld aan politici die Nederlandse uitdrukkingen letterlijk naar het Engels vertalen – maar juist die vreemdheid kan ook tot nieuwe inzichten leiden.

'Het gesproken of geschreven woord is alles wat wij over de intentie kunnen weten'

Veel mensen geloven dat een intentie voorafgaat aan het spreken, of schrijven. Men wil iets zeggen of schrijven en vervolgens zegt men dat of schrijft men dat op en dan hoopt men dat de intentie wordt uitgedrukt door wat men net heeft gezegd.

Ik meen – en daarop berust ook het fenomeen van de freudiaanse verspreking – dat het gesproken of geschreven woord alles is wat wij over de intentie kunnen weten. Wat ik eigenlijk had willen zeggen, is wat er gezegd is. Wat voorafgaat aan het spreken (en het schrijven) is een terrein waar wij ons niet kunnen en, als het om literatuur gaat, vermoedelijk ook niet mogen begeven. Als wij het onbewuste serieus nemen is het natuurlijk ook de vraag hoe goed wij onze intenties überhaupt kennen.

En de daden, zegt u. Verwijst taal niet ook naar acties die zijn of worden ondernomen? De patiënt zegt: ‘Ik had me zo voorgenomen het niet te doen, maar verleden week heb ik toch weer mijn ex gezien.’ Of: ‘Dokter, ik ga volgende week naar mijn ex terug. Ik kan mezelf niet bedwingen.’

De taal is niet alleen een theoretisch model, hoewel het daar in mijn ervaring in de praktijk van de therapie en vele andere praktijken wel op neerkomt; zij verwijst ook naar daden die verricht zijn of verricht worden. In die zin is taal een accurate of juist minder accurate beschrijving van gebeurtenissen uit het verleden.

Het onbehagen dat mensen kan overvallen wanneer zij een taal moeten spreken die zij niet beheersen, komt niet alleen omdat ze dan falen maar omdat hun existentie wankelt. In een vreemde taal worden zij ook vreemd voor zichzelf, zoals ook de therapeut in een taal die hem niet vertrouwd is misschien afstand zal doen van ingesleten standaarduitdrukkingen.

De vreemde taal maakt het vertrouwde minder vertrouwd. Eindelijk weten patiënt en therapeut waarom zij elkaar niet begrijpen.