Editie april 2015

Celia Ledoux
Celia Ledoux
Rubriek: 
Auteur: 
Celia Ledoux

Celia Ledoux: Bask van het Noorden

Tot mijn derde verborg mijn moeder me in ons dorp. Buitenechtelijk kind, decente familie. Toen werd mijn vitamine D-gebrek door zondeficiëntie zo ernstig, dat ze richting grote stad vluchtte. Het was een schok. Dat is je eerste vreemde taal altijd, maar horen dat je een bastaardtaal spreekt in plaats van je moedertaal, klinkt werkelijk als een taalkundige weekendfilm. Pas maanden later begreep ik die netjes sprekende mensen – en die spraken gewoon Algemeen Vlaams.

Toen ik mijn vader leerde kennen, was ik dus gehard. Hij was een Noord-Nederlandse reclameman, en hij wist ‘Vlaams’ uit te spreken met nooit gehoorde minachting. Zijn kant van de familie vond me gezellig praten. Voorwaar ik zeg u: als u zich een humeurige tuinkabouter wil voelen, laat dan uw taaltje als ‘gezellig’ bestempelen.

Als taalnerd las ik De Pillecijn en Marnix Gijsen. Ik ging braaf jij-en jou'en en studerend scheidde slechts een fout aangeduide palataal me van een historische 20/20 voor fonetiek.

De schande. Ik wilde dit kunnen. Ik wilde kameleon zijn.

Taal werd alles. Eerst in internationale betrekkingen een wapen. Daarna in PR, nu ja, een andersoortig wapen. In communicatie mocht ik enorme billboards afhuren aan enorme sommen om er prachtig verpakt absoluut niets op te bedenken.

Het gemeentelijk personeel kan met charmante tongval uitleggen dat hun Nederlands “mâr eun beetje” is.

Met deze halve column achter de kiezen begrijpt u allicht: ik kon dat meesterlijk. Maar weer sloeg ik scheef. Bij de jaarlijkse evaluatie staalde ik me en vroeg opslag. Mijn baas lachte dan smakelijk. “Wat doé jij hier toch, Celia?” Werknemers kreeg ik trots op dat onethische bedrijf, universiteiten praatten onze newspeak na, en doordat zaterdagkranten mijn partijdige persberichtjes copy-pasten zonder bronvermelding, koester ik een blijvend licht wantrouwen in ‘kwaliteitsmedia’. Welzeker paste ik er als Tinkerbell in American Psycholand, en kreeg ik die opslag zelden, maar ik was ‘m waard.

Helaas heb ik een geweten en werd ik niet rijk, maar schrijver. Dan doet een mens wat minder aan taal.

Taal was ook niet meer nodig: ik had mijn plaats gevonden als Nederlandstalige Brusselaar. Nederlands is in Brussel de officiële minderheidstaal. In elk politiekantoor werkt één verplichte Vlaming (door dagelijkse files de nurksere collega: ‘doe uw verhaal in het Frans’). Tandarts, bakker en bloemist willen maar kunnen niet, dus verleer ik mijn academische Molière ten bate van drie gaatjesvulwijzen, een aster en vijfhonderd soorten gebak – basisvocabulaire voor een zoetekauw. De visboer is activistisch franskiljon, weet prima hoe vissen in het Nederlands heten, weigert die kennis prijs te geven. Het gemeentelijk personeel kan met charmante tongval uitleggen dat hun Nederlands ‘mâr eun beetje’ is.

Wij zijn de U-boot, het Volendam, het Manneken-Pis van het Nederlands.

De Vlaamse Brusselaar is genoeglijk schaars, zijn statuut even speciaal als hijzelf. Ons buitenbeentjes komt de Vlaamse reputatie van harde werkers en zware discipline goed uit. Elk bedrijf wil ons huren, ieders kind wil onze scholen in. Wij zijn minderheid, maar geen pispaaltje: daarvoor dienen een leger eurocraten en een stel wél geïntegreerde migranten. Wij zijn de U-boot, het Volendam, het Manneken-Pis van het Nederlands. Trots, understated. Wij zijn de Basken van het Noorden.

Alleen verschuift er wat. De tandarts zei laatst ‘even spoelen’, de bloemist ‘goedemorkêuhn’. De Spaanse leerjongen van de visboer zegt ‘dankuwel’ op een manier die mijn man mij in de taille doet grijpen. Vlamingen troepen van de schrik samen op café, realiseren zich dat ze mekaar daar verstaan, verliezen aldus ook hun voornaamste hobby: op luide toon roddelen over hun omgeving. ‘Het is de schuld van Bart De Wever’, zeggen ze mistroostig, de enige mening die Brusselaars uit puur patriottisme delen.

Het is hier opeens zo... gezellig. Voelt u het aan mijn schrijfstijl? Zo klam, verzoenend, zo warm. Bah! Daarmee word ik nooit de gedepayseerde Camus van het noorden.

Misschien moet ik de PR weer in. Voor wat vervreemding.

Celia Ledoux schrijft fictie en non-fictie, columns en podiumteksten en treedt op voor o.a. Uitgeverij Vrijdag, VRT, De Morgen, Villanella, deBuren, DW B, Deus Ex Machina, Rekto:Verso en Boris VZW.