Editie oktober 2017

 

Ellen Deckwitz: mijmeren over onze taal en de schier oneindige vormen waarin we verhalen kunnen vertellen.
Rubriek: 
Auteur: 
Ellen Deckwitz

De laatste man die Oebychs sprak

Ellen Deckwitz: mijmeren over onze taal en de schier oneindige vormen waarin we verhalen kunnen vertellen.

Laatst was ik op pad met een clubje jongeren en hoewel iedereen Nederlands was, vloog het Engels me om de oren: een jongen zei op alles ‘right’, een meisje sloot iedere zin af met ‘if you know what I mean’ of ‘I love that’ (waar, oké, ikzelf soms ook een handje van heb). 

Hun statusupdates op Facebook schreven ze allemaal in het Engels, want dan ‘konden meer mensen het liken’. ’s Nachts had ik kleine nachtmerries over de toekomst van het Nederlands. Mensen van mijn generatie zijn, door de alomtegenwoordigheid van het Engels op tv en in de muziek, al anderhalftalig opgevoed, maar de online generatie waarmee ik op pad was, leek haast een nieuwe taal te spreken, een soort Neder-Engels. 

Elke voorstelling is uitverkocht en kinderen lopen, al babbelend in het Maori, de bioscoop weer uit.

Misschien, dacht ik, is het niet meer dan normaal dat talen in elkaar overlopen, maar jammer vind ik het wel. Elke taal heeft onvertaalbare woorden die stukjes van de wereld benoemen. Stukjes die zonder deze woorden misschien wel onzichtbaar waren gebleven. Natuurlijk het Nederlandse ‘gezellig’, maar ook het Servische ‘merak’, dat verwijst naar jezelf even gelukzalig één weten met het universum, tot en met het Japanse ‘kuidaore’: het verschijnsel dat je blut bent door lekker eten.

Gelukkig komen er telkens weer effectieve manieren bij om talen te behouden. Een van de leukste experimenten vond afgelopen maand plaats in Nieuw-Zeeland. Het Maori wordt daar nog door 125.000 mensen gesproken, maar de overheid is bang dat de taal uitsterft. En zo kwam er een Maori-versie van de Disneyfilm Moana. Elke voorstelling is uitverkocht en kinderen lopen, al babbelend in het Maori, de bioscoop weer uit. Missie geslaagd.

Zo maak ik me iets minder druk over de bedreigde staat van het Nederlands (al zou het een beetje jammer zijn als we dat uiteindelijk via Disneyfilms in leven moeten houden), maar een klein beetje bang voor het verdwijnen ervan blijf ik wel. Ik moet soms denken aan een gedicht van de Schotse dichter John Burnside, ‘De laatste man die Oebychs sprak‘, prachtig vertaald door Ingmar Heytze.

Het vers gaat over het overlijden van Tevfik Esenc (1904-1992), een Circassiër uit Turkije die als laatste het Oebychs sprak, de taal van een Turkse etnische minderheid. Het gedicht gaat over het moment dat Esenc op sterven ligt. Hij fluistert ‘de naam van een vogel/ in zijn moedertaal,/ terwijl herinneringen van sneeuw en marktdagen,/ de handen van zijn vader, de geur van tamarinde/ zich terugtrokken in uitgediende namen … niets van wat hij zei werd herinnerd.’ Vlak voor hij sterft spreekt hij een woord in het Oebychs, dat natuurlijk niemand begrijpt (want hij is de laatste die die taal spreekt), en die kleine tragedie verwoordt Burnside dan als volgt: dat woord, ‘een naam voor de dood, misschien,/ of weidegras,/ of, opgedoken aan de rand van zijn denken,/ een ander woord dat ze hadden toen hij jong was,/ een woord dat ze zelden gebruikten, hoewel het bestond/ voor alles wat niemand zich wist te herinneren.’

En daarom moeten we talen in leven houden, omdat er dingen zijn die we ons moeten blijven herinneren.

En daarom moeten we talen in leven houden, omdat er dingen zijn die we ons moeten blijven herinneren. Sommige woorden mogen we niet verliezen, omdat we daardoor ook de zaken waarnaar deze woorden verwijzen, niet meer kunnen zien. En dat zou doodzonde zijn. De wereld mag door globalisering dan groter worden, als we daardoor diverse talen verliezen, wordt ze alleen maar kleiner, en dat kan nooit de bedoeling van vooruitgang zijn geweest.