Editie december 2016

Ellen Deckwitz: ik wil niet de hoop verliezen dat wij meer delen dan alleen een taal
Ellen Deckwitz: ik wil niet de hoop verliezen dat wij meer delen dan alleen een taal
Rubriek: 
Auteur: 
Ellen Deckwitz

Enzovoort!

Laatst maakte iemand me erop attent dat ik mijn zinnen regelmatig afsluit met ‘enzovoort, enzovoort’. Zo krijg je uitspraken als: ‘Het enjambement kan zorgen voor spanning en meer ambiguïteit in de poëzie, enzovoort, enzovoort’, of ‘ik kwam thuis en maakte stamppot boerenkool, enzovoort enzovoort.’ 

Het is misschien ook een klein verzet tegen de laatste taaltrend in Nederland, om iedere zin af te sluiten met het slaapverwekkend monosyllabische ‘dus’ (‘uw riolering is door ratten geperforeerd, dus.’) waarmee je niets toevoegt aan je boodschap, behalve dat deze ten einde is.

Geef mij maar ‘enzovoort’ als zinsafsluiter. Het betekent letterlijk ‘en zo doorgaand.’ Dat vind ik prachtig: je moet als toehoorder extrapoleren, zelf invullen wat er verder nog gebeurt. Daaruit spreekt een vertrouwen tussen de gesprekspartners, want de spreker gaat er voor het gemak vanuit dat de toehoorder zo ongeveer hetzelfde denkt als hij. Eigenlijk is ‘enzovoort’ het ultieme Groen Linkswoord. Het tolereert diversiteit maar gaat er over het algemeen toch maar vanuit dat we met zijn allen ongeveer hetzelfde denken.

Je hoopt toch in een land te wonen waar je elkaar een beetje aanvoelt, voor de gezelligheid op zijn minst.

De laatste jaren zijn de onderlinge verschillen in ons land echter zo toegenomen dat het de vraag is of ‘enzovoort’ de maatschappelijke veranderingen gaat overleven. Ik zei laatst op een feestje tegen een man in een duur pak het volgende: ‘Er zullen de komende jaren meer vluchtelingen bijkomen, enzovoort, enzovoort.’ Ik bedoelde dat we ons toleranter moeten opstellen naar vreemdelingen, ervoor moeten zorgen dat ze goed integreren, ze zich welkom voelen. De man in het dure pak reageerde echter met: ‘Ja, vreselijk, al die extra woningen, al die extra criminaliteit, al die extra uitkeringen.’ Hij vulde mijn ‘enzovoort’ in met iets wat ik helemaal niet wilde zeggen!

Alleen een goede verstaander kan omgaan met enzovoort, enzovoort, enzovoort.

Ik moest toen denken aan mijn studietijd. Toen ik Nederlands ging studeren, werd tijdens mijn eerste college semantiek een plaatje getoond van twee mensen die praten over een hond (die er niet bij is). Persoon A zegt dat hij een heel leuke hond heeft. In een gedachtewolkje zie je A’s hond, een golden retriever. In het gedachtewolkje bij persoon B zie je wat híj zich voorstelt bij een leuke hond: een teckel. Datzelfde dreigt er met ‘enzovoort’ te gebeuren, en dat is jammer. Je hoopt toch in een land te wonen waar je elkaar een beetje aanvoelt, voor de gezelligheid op zijn minst.

Maar omdat ik niet de hoop wil verliezen dat wij meer delen dan alleen een taal, blijf ik mijn zinnen besluiten met ‘enzovoort, enzovoort’. Misschien tegen beter weten in. In de Van Dale staat dat ‘enzovoort’ wordt gebruikt om uit te drukken dat men verdere opsomming overbodig acht. Daarmee is mijn gebruik van ‘enzovoort, enzovoort’ als zinsafsluiter dus geen makkelijk stopwoord maar een compliment aan mijn toehoorder: want alleen een goede verstaander kan omgaan met enzovoort, enzovoort, enzovoort.

Meer columns van Ellen Deckwitz in Taalunie:Bericht.