Editie oktober 2016

Rubriek: 

Genoeg gegeten

Onlangs zat ik aan tafel met een taalwetenschapper die mij vertelde waarom er voor hetzelfde stuk vlees in het Engels verschillende woorden bestaan. Toen na 1066 Engeland werd overstroomd door Normandiërs, ontstonden er verschillende woorden voor iets wat in principe hetzelfde was. Neem vlees. Dat is in het Engels gewoon meat. Maar kijk je op de menukaart in het betere Britse restaurant, dan zie je dat daarop zelden het woord meat. Eerder kom je beef tegen, of wanneer er kalfsvlees wordt geserveerd, veal.

‘En waarom noemen ze dat veal, en geen calfs meat? Dat is toch veel logischer?’ vroeg de taalwetenschapper. Ik gokte erop dat het een retorische vraag was en haalde braaf mijn schouders op. ‘Veal komt van het Franse woord voor kalf, veau,’ vervolgde hij. ’In de Normandische tijd was kalfsvlees een luxe, en alleen de allerrijksten konden het zich permitteren. En welke taal spraken de allerrijksten? Precies. Frans. Dus kalfsvlees werd veal, naar veau. En wanneer de kalveren op waren en ze dan toch maar een wat oudere koe moesten verorberen, dan noemden ze dat nog steeds geen meat. Ze noemden het dan beef, naar het Franse boeuf, wat rundvlees betekent. Je kon dus aan de taal zien wie de baas was. Wiens brood, of in dit geval vlees, men eet, diens woord men spreekt!’

Ik las eens dat een taal niet meer is dan een dialect dat door een leger wordt gesteund.

Toen ik naar huis wandelde dacht ik na over hoe dingen hun naam krijgen, afhankelijk van kapitaal, oorlogsvoering of door het vermengen van culturen. Ik las eens dat een taal niet meer is dan een dialect dat door een leger wordt gesteund. Opeens hoorde ik wat geroezemoes op straat. Twee meisjes die wachtten op de tram, hadden het over een ander meisje.

‘Oh God, Samantha, dat vind ik echt zo’n teef,’ zei de een.
‘Ja, ze denkt dat ze alles is, domme koe,’ klaagde de ander.

Door het gesprek met de taalwetenschapper was ik niet gericht op wat de meisjes zeiden, maar op hoé ze het zeiden. De Samantha in kwestie lag klaarblijkelijk niet zo goed bij hen. Maar in plaats van haar een stom wijf of een heks te noemen, vergeleken ze haar met respectievelijk een vrouwtjeshond en een vrouwtjesrund. Ik bedacht dat mannen juist met een dier worden vergeleken als men ze tof of bewonderenswaardig vindt. Een jongen die een hengst of een stier wordt genoemd, komt er doorgaans beter vanaf dan een meisje dat voor zeug wordt uitgemaakt (of voor koe of teef). 

En toen ik op de tram stapte, bedacht ik me dat taal niet alleen vorm krijgt door de strijd die tussen naties wordt gevoerd, maar ook door de koude oorlog die sinds het begin der tijden tussen de seksen gaande is. Een vrouwtjesdier heeft bijna altijd een slechtere reputatie dan een mannetjesdier. Licht teleurgesteld kwam ik thuis. Ik had voorlopig genoeg gegeten.