Editie november 2015

Rubriek: 
Auteur: 
Fieke Van der Gucht

Het kind moet een naam (en ik ook)

'De meeste stiefmoeders doen juist lief: ze maken eten dat je lekker vindt en doen er haast geen vergif in.' (Uit: Nu in handige meeneemverpakking van Ted van Lieshout)

Echtscheidingen. Je hebt ze in vecht- en vlekkeloze versies, of net iets daar tussenin. Ze brengen hoe dan ook gedoe met zich mee en een nieuwe taal om dat gedoe te benoemen. Bij vechtscheidingen horen ‘hexen’ of vervelende exen, bij vlekkeloze versies het ‘week-weeksysteem’. Dat klinkt concreter voor kinderen dan ‘co-ouderschap’. Ouders wisselen dan af tussen de ‘kinderweek’ en de ‘niet-kinderweek’.

Op een dag trad die nieuwe taal mijn leven binnen. Net als twee stiefkinderen en ik in de hunne. 'Ik noem haar Fieke', stelde de zoon na een week of wat vast. 'Ik spreek haar niet met "stiefmoeder" aan.' 'Fieke hoort ze vast liever', lachte de vader – hij had gelijk. 'Maar,' hield de zoon vol, 'ik spreek alle volwassenen met hun titel aan. Als ik mama "mama" noem, jou "papa", tante K. "tante K" en meester N. "meester N", waarom zeg ik dan niet automatisch "stiefmama"?'

En nu gij! Dat stiefmoeders hun imago niet mee hebben, heeft er wellicht mee te maken. Nochtans betekende het voorvoegsel ‘stief-‘ in het Middelnederlands gewoon ‘zonder bloedverwantschap’ en onderliggend ‘iets missend’, ‘beroofd zijn van’. Jonge kinderen die hun moeder verloren, waren bij voorbaat stiefkinderen, ‘beroofd van een moeder’. Wie met de vader hertrouwde, werd naar analogie een ‘stiefmoeder’ genoemd. Tegenwoordig krijgen kinderen er vaker een stiefouder bij omdat hun ouders gescheiden leven en een nieuwe partner leerden kennen.

‘Stief-‘ droeg van bij zijn ontstaan al de tristesse van een overlijden in zich, maar nog geen harteloosheid. Die bijkomende negatieve connotatie kwam later. Stiefmoeders van lang geleden hebben zich blijkbaar wanstaltig gedragen. En daar zijn moderne stiefmoeders nu de dupe van. Zo is ‘liefdeloze, hardvochtige moeder’ de tweede betekenis van ‘stiefmoeder’ volgens de Dikke Van Dale. Mensen worden liever niet ‘stiefmoederlijk’ behandeld.

Bij hoge uitzondering blijken sommige stiefmoeders best mee te vallen. En dan verdienen ze een nieuwe naam zonder negatieve bijklank, vinden taalgebruikers. ‘Gehandicapten’ kregen bijvoorbeeld meer eufemismen dan hun lief was. Met alternatieven voor ‘stiefmoeder’ wil het niet zo lukken. Her en der hoor je ‘plusmoeders’, soms ook ‘bijmoeders’ of ‘zorgmoeders’. Bizar, want alle literatuur roept net dat je faalt als je gaat ‘moederen’ als nieuwe partner. De nieuwe samenstellingen met ‘-moeder’ zijn daarom maar weinig succesvol.

De kinderen en ik benoemen elkaar dus via de verbindende schakel, hun vader. Ik ben ‘de vriendin van hun vader’, zij zijn ‘de kinderen van mijn lief’. Maar hun moeder blijft hun moeder, hun vader hun vader, ook al zitten ze in het ‘week-weeksysteem’. Dat verliezen die nieuwe uitdrukkingen wel eens uit het oog. 'Ik kan niet mee', hoorde ik mijn lief zeggen. 'Ik heb de kinderen deze week. Volgende week kan wel, dan heb ik ze niet.' 'Je bent hun vader', rol ik met mijn ogen. 'Je hebt je kinderen altíjd.' 

Fieke Van der Gucht is 36 en woont in Gent. Als Taalonthaal-medewerker aan de Universiteit Gent doceert ze academisch schrijven en geeft ze studenten taal- en tekstadvies op maat. Daarnaast is Fieke freelance eindredacteur en copywriter. Op dit moment schrijft ze aan De Atlas van het Nederlands in Vlaanderen, die in september 2016 verschijnt.