Editie oktober 2015

Rubriek: 
Auteur: 
Rik Schutz

Louis Paul Boon en de Belgen

Toen ik 18 was, las ik De voorstad groeit van Louis Paul Boon. Toen ik het uit had, begon ik meteen aan Vergeten straat van dezelfde schrijver en sindsdien heb ik al zijn romans gelezen. Voor iemand als ik, die is opgegroeid in de streektaal die toevallig de norm is geworden voor onze verzorgde standaardtaal - ik zat op school in Haarlem - was die lectuur een openbaring. Boon schreef in het Nederlands, in mijn taal, maar die taal was zo anders, zo vreemd en toch zo toegankelijk! 

Geloof het of niet, maar pas op die leeftijd heb ik ontdekt hoe groot de variatie in ons taalgebied is. Mijn idee van dialect was destijds dat Groningers de slot-n van werkwoord’n nadrukkelijk uitspraak’n en dat Limburgers en Belgen met een ‘zachte g’ spraken. Iedereen in mijn omgeving, en iedereen op radio en tv sprak net als mijn ouders en dus net als ik. Pas toen ik in Groningen ging studeren (in 1972) , kwam ik erachter dat een dialect meer omvat dan een herkenbare tongval.

Het zou flauw zijn om Louis Paul Boon er de schuld van te geven dat ik mijn studie geneeskunde heb afgebroken, maar zeker is dat de kennismaking met zíjn Nederlands mijn belangstelling voor taal, en voor taalvariatie, heeft aangewakkerd.

Jaren later kreeg ik de kans om mee te doen aan een test waarmee de toen nog piepjonge uitgeverij Van Dale nieuwe freelance redacteuren wierf. We moesten een paar pagina’s van een nog uit te geven hedendaags woordenboek bewerken. De kopij moest in het keurslijf van een strakke structuur worden gebracht en er moest 15% van de tekst geschrapt worden. De meeste kandidaten zochten houvast in de Dikke Van Dale - als een woord daarin stond, durfde men het niet te schrappen en dat leverde dus te weinig reductie op. Taalgevoel, een vlotte pen en bravoure, daar was men naar op zoek en met vijf anderen werd ik uitverkoren om anderhalf jaar freelancend aan de Hedendaagse Van Dale te werken. Dat klusje werd het begin van een twintigjarige loopbaan bij de uitgeverij.

De Belgen die ik door mijn werk - bij Van Dale en de laatste jaren bij de Taalunie - leerde kennen, spraken niet zoals Louis Paul Boon schreef. Ze spraken net als ik, zij het met een zuidelijke tongval. Het duurde even voordat ik in de gaten kreeg dat zij niet representatief waren voor de Nederlandssprekende Belgen. Het waren hoogleraren taalkunde, taaladviseurs, taalbeleidsambtenaren en journalisten. Dialectsprekers van huis uit, die met ijver en talent het Standaardnederlands onder de knie hadden gekregen en vervolgens van ‘taal’ hun beroep hadden gemaakt.

De gewone, d.w.z. niet-taalkundig geschoolde Belgen die ik later leerde kennen, spraken heel anders. Het viel niet mee om dat op te merken, want ze spraken nauwelijks als ik in de buurt was. Aan hun schoolopleiding hadden ze namelijk de angst overgehouden dat wanneer ze spontaan iets in het Nederlands zeiden, dat waarschijnlijk fout was. En daar kwam het misverstand bij dat veel Belgen dachten (en denken?) dat elke Hollander er op uit is om hen op ‘fouten’ te betrappen.

Intussen is er in Vlaanderen veel ten goede veranderd. De verbeten campagnes om Vlaamse Nederlandssprekenden de woorden af te leren die in Nederland onbekend zijn, zijn mislukt en afgeschaft. Jonge inwoners van de deelstaat Vlaanderen spreken tegenwoordig bijna net zo onbekommerd Nederlands als ik. Nederlands dat een ietsepietsie anders is dan wat in Haarlem wordt gesproken. Dat daarin woorden en uitdrukkingen voorkomen die Nederlanders niet kennen, vind ik geen probleem. Integendeel. Het stelt Nederlanders in staat de verwondering te voelen over de rijkdom binnen onze taal, die ik leerde kennen in het werk van Louis Paul Boon.

Rik Schutz heeft onder meer gewerkt voor Van Dale en de Taalunie. Samen met Ludo Permentier heeft hij het boek Typisch Vlaams  (Davidsfonds Uitgeverij) samengesteld. Het geeft een overzicht van vierduizend Belgisch-Nederlandse woorden en uitdrukkingen, waar ze vandaan komen en of ze gebruikt mogen worden.