Editie april 2017

 

Ellen Deckwitz: 'Ik veranderde in een soort linguïstische Freek Vonk'
Rubriek: 
Auteur: 
Ellen Deckwitz

Openluchtmuseum avant la lettre

Ellen Deckwitz: 'Ik veranderde in een soort linguïstische Freek Vonk'

Afgelopen maand was ik voor onderzoek in Suriname, en hoewel ik me vooral bezig wilde houden met de gastronomische kanten van het land, kroop het bloed waar het niet gaan kan en liep ik op een gegeven moment toch ook weer de talige bijzonderheden achterna. 

Het is sowieso fantastisch als je na negen uur vliegen opeens in de tropen bent beland en nog steeds in je eigen taal een cola kan bestellen. Het is vervreemdend en tegelijkertijd vertrouwd dat je, terwijl je onder een palmboom staat en jezelf een klimaatverandering zweet, je gewoon in je eigen taal met iemand uit Paramaribo van gedachten kan wisselen over het feit dat het toch wel heel erg fijn zou zijn als er airco’s aan struikjes konden groeien.

De grootste verrassing kwam toen ik het oerwoud introk. Met een klein maar dapper vliegtuigje vloog ik van de hoofdstad naar het binnenland, waar aan de Surinamerivier talloze nederzettingen liggen die eeuwen geleden waren gesticht door de marrons (mensen die de slavernij waren ontvlucht).

Ik veranderde in een soort linguïstische Freek Vonk.

Na landing werd ik door een inheemse gids hartelijk ontvangen met de volgende boodschap ‘Welkom in het regenwoud, wie gebruik wil maken van het gemakshuisje moet mij even volgen.’ Ik weet niet hoe het met u zit, maar de term gemakshuisje ben ik alleen in de Efteling tegengekomen. Het bleek geen uitzondering, want die week in de rimboe regende het prachtige archaïsche woorden, van ‘ik zag een mooie bustehouder’, ‘pas op voor de sintels’ tot ‘kom erbij, het vuur is gerieflijk’.

Wat het allemaal nog Hollandser maakte, was dat de marrons bij wie ik verbleef allemaal oud-Nederlandse namen hadden. Het hoofd van het dorp, een man met een ebbenhouten huid en lichtblauwe ogen, heette Johannes, zijn kinderen Hendrik en Sien. Ik veranderde in een soort linguïstische Freek Vonk en liep iedereen, gewapend met een opschrijfboekje, achterna. Een oudere, deftige vorm van het Nederlands leek in de oerbossen bewaard te zijn gebleven, het soort dat je op zijn laatst tegenkwam in de boeken van Frederik van Eeden.

'Kijk uit, er zitten kuilen in de grond, voor u het weet heeft u een kwetsuur opgelopen.'

Tijdens een van de rondleidingen door de wildernis vertelde de gids ons dat de marroncultuur in Suriname eigenlijk een stuk Afrika buiten Afrika is. Een deel van de gebruiken die in het land van herkomst allang verdwenen zijn, zoals bepaalde rituelen of dansen, vind je hier nog terug, overgeleverd van generatie op generatie.

‘De marroncultuur is eigenlijk een grote bewaarplek!’ zei de gids trots, gevolgd door ‘kijk uit, er zitten kuilen in de grond, voor u het weet heeft u een kwetsuur opgelopen.’ De taal waarvan hij zich bediende was eigenlijk een openluchtmuseum avant la lettre: zij hield stokoude vormen van het Nederlands in leven. Ik heb nog nooit in één week tijd zoveel geluisterd.