Editie december 2017

 

Ellen Deckwitz: mijmeren over onze taal en de schier oneindige vormen waarin we verhalen kunnen vertellen.
Rubriek: 
Auteur: 
Ellen Deckwitz

Schaatsen op vlakken vol mogelijkheden

Ellen Deckwitz: mijmeren over onze taal en de schier oneindige vormen waarin we verhalen kunnen vertellen.

Afgelopen week mocht ik Het Schoolvak Nederlands openen, een jaarlijks terugkerende conferentie over alles dat met het vak Nederlands te maken heeft: van onderwijs aan anderstaligen tot brieven schrijven op de middelbare school. Van debattraining in groep acht tot workshops aan aanstormende docenten, wat helemaal van belang is in een tijd waarin niet alleen leraren onder enorme druk staan, maar ook het vak zelf. Er zijn minder contacturen, de klassen worden voller, en als je als docent dan je hele weekend kwijt bent met het nakijken van beroerd gemaakte dictees heb je vaak echt niet meer de puf om leerlingen aan te sporen een keer een roman of dichtbundel te gaan lezen.

‘Als je toont hoe fascinerend het eigenlijk is dat er überhaupt zoiets bestaat als taal, doen de leerlingen beter hun best!’

Gelukkig zijn er dan dit soort congressen. Na de opening raakte ik in gesprek met een clubje leraren, die allemaal een achtergrond in de taalwetenschap hadden. Zij deden hun best hun leerlingen lol te doen krijgen in de taal zélf. Eentje had zelfs Chomsky, met behulp van een welwillende docent biologie, zijn lessen weten in te fietsen.

‘En het helpt ook echt,’ zei een jonge docente, ‘Als je toont hoe fascinerend het eigenlijk is dat er überhaupt zoiets bestaat als taal, doen de leerlingen beter hun best! Ze maken weinig fouten met spellen en grammatica is een eitje als je net iets langer stilstaat bij waarom het Nederlands de vorm heeft die het heeft.’

Letteren toegankelijker

Ik was diep onder de indruk: de afgelopen jaren ben ik van middelbare school naar middelbare school getrokken om leerlingen aan te sporen meer te lezen. Het was een soort zendingsmissie, ontstaan uit het gevoel dat jongeren steeds minder zin hadden in literatuur. Ik heb zelfs boeken geschreven om de letteren toegankelijker voor hen te maken. Nu ik deze toffe docenten had ontmoet, ontdekte ik dat je niet alleen via literatuurwetenschap het vak Nederlands kon verrijken, maar ook vanuit de taalwetenschap.

Op de terugreis mijmerde ik nog wat na. Onze taal, waarom ze eruitziet zoals ze eruitziet, de manieren waarop we communiceren, de schier oneindige vormen waarin we verhalen kunnen vertellen. Ik dacht aan mijn moeder, docent Nederlands, die eind deze maand met pensioen gaat en laatst nog verzuchtte dat we zo’n prachtige taal hebben dat je als leraar eigenlijk contacturen te kort komt om je leerlingen daarvan te overtuigen, om hun alle verborgen schatten te laten zien.

Met dit soort docenten zou het nog weleens goed kunnen komen met het Nederlands.

Uitzitten van rapportvergaderingen

Gelukkig maar dat er conferenties als Het Schoolvak Nederlands worden gehouden. Waarbij je niet alleen nieuwe ideeën opdoet, maar ook nog eens mensen ontmoet die hun eigen expertise met zoveel lol weten over te brengen op de jeugd, dat die er meteen de vruchten van plukken. Het gaf ook hoop: dat er nog steeds onderwijzers bestaan die naast het nakijken van stapels leesverslagen (om nog maar te zwijgen over het uitzitten van rapportvergaderingen) de puf hebben iets met veel plezier over te brengen.

Dichter Ralph Waldo Emerson zei eens dat je als mens altijd moest blijven spelen. En dat je daarvoor ook moest stilstaan bij hoe bijzonder taal is. Schrijven, praten, het is voor hem ‘schaatsen op oneindige vlakten vol mogelijkheden’. Ik had mogelijkheden gezien die ik voor deze conferentie niet voor mogelijk had gehouden. Met dit soort docenten zou het nog weleens goed kunnen komen met het Nederlands. Tevreden dommelde ik in, om pas in Den Helder (92 kilometer verder dan waar ik uit de trein had gemoeten) weer te ontwaken. Maar goed: een geruststelling mag ook wat kosten.

De eerdere columns van Ellen Deckwitz in Taalunie:Bericht vindt u hier.