Editie september 2017

 

Ellen Deckwitz: 'Ik vroeg me af hoe we onze kinderen ooit nog ergens in konden laten geloven.'
Rubriek: 
Auteur: 
Ellen Deckwitz

Taal steeds minder magisch

Ellen Deckwitz: literair vuurwerk in mijn vrije tijd

Afgelopen zomer logeerden mijn neefjes van negen en bijna-twaalf een weekje bij mij en las ik hun elke avond sprookjes voor. Het exemplaar van bijna-twaalf benadrukte telkens dat hij daar al veel te volwassen voor was maar schoof elke keer toch gewillig aan.

Alle klassiekers kwamen voorbij, Assepoester, Ali Baba, Jaap en de Bonenstaak. Zelfs verhalen die ze allang kenden, werden met open mond gevolgd. Soms probeerde ik een beetje te improviseren (‘Nou en de wolf maar wachten voor het huis van die geitjes, duurde lang joh, dus hij checkte maar even zijn instagram’) maar dan werd er meteen woedend geprotesteerd. Ik mocht niet afwijken van de gebaande paden, moest woord voor woord het verhaal volgen.

Op de laatste avond werd er op mijn slaapkamerdeur geklopt. Bijna-twaalf kwam binnen. Hij is een slechte slaper en mocht elke avond nog een half uurtje bij mij in bed, om een beetje te kletsen en te filosoferen over het leven.

Alleen in sprookjes lijkt een spreuk nog een spreuk en een belofte een belofte.

 ‘Ik heb iets ontdekt,’ fluisterde hij geheimzinnig terwijl hij tussen de dekens kroop. ‘Wat, wat?!’ vroeg ik met een gretigheid alsof hij de remedie tegen sterfelijkheid had uitgevonden. ‘Ik weet waarom sprookjes niet het echte leven zijn. In sprookjes is wat je zegt belangrijk. In het echte leven helemaal niet.’ Daar moest ik even over nadenken.

‘Ga maar na,’ zei hij, ‘Repelsteeltje verliest alles als ze achter zijn echte naam komen. De toverspiegel in Sneeuwwitje luistert alleen als je de goede spreuk hebt. En de betoverde voorwerpen uit Ezeltje Strek Je gehoorzamen alleen als je precies de juiste woorden uitspreekt.’ Ik knikte.

‘En in de échte wereld, de onze’, voegde hij er samenzweerderig aan toe, ‘maakt het tegenwoordig niet uit wat je zegt. Kijk naar president Trump: hij liegt alles bij elkaar en niemand geeft hem op zijn kop! Dus zo weet je het verschil tussen echt en sprookje: in een sprookje zijn woorden nog belangrijk, in het echt niet.’

Daar lag ik toch een halve nacht van wakker. Hij had een punt. Alleen in sprookjes lijkt een spreuk nog een spreuk en een belofte een belofte. Als je je in een sprookje niet aan de afspraken houdt, ben je de sjaak, zoals bij Blauwbaard (dan blijkt je man een seriemoordenaar), of De Rattenvanger van Hamelen (dan blijkt de lokale ongediertebestrijder opeens een zeer getalenteerde kinderlokker). In het echte leven zeggen we maar wat. Uitspraken worden nauwelijks nog serieus genomen. Politici die hun beloften niet nakomen, multinationals die onzin vertellen: nergens komt er een knuppeltje uit de zak of een chagrijnige oud-fee die hun even een flinke afranseling geeft. Vind je het gek dat een bijna-twaalfjarige op een gegeven moment niet meer in de kracht van woorden gelooft.

Ik heb het gevoel dat de taal de laatste jaren aan een enorme inflatie onderhevig is.

Misschien is dat altijd zo geweest. Als kind is taal nog magisch, als volwassene leer je dat er lagen en interpretaties mogelijk zijn en er, om het met Nijhoff te zeggen, niet altijd staat wat er staat. Maar toch. Ik heb het gevoel dat de taal de laatste jaren aan een enorme inflatie onderhevig is. Men kan de ergste dingen zeggen en die later ontkrachten met sorry, of ik bedoelde het niet zo, en geen haan kraait ernaar. Niemand geloof je tegenwoordig op zijn woord: wat we zeggen boet steeds meer in aan zeggingskracht.

Vlak voor ik in slaap viel, concludeerde ik sip: taal wordt steeds minder magisch omdat ons leven steeds minder sprookjesachtig is. En ik vroeg me af hoe we onze kinderen ooit nog ergens in konden laten geloven. 

Voor meer columns van Ellen Deckwitz in Taalunie:Bericht, zie het overzicht.