Editie november 2016

Ellen Deckwitz had die ochtend gezien dat zij geen jongere meer is.
Ellen Deckwitz had die ochtend gezien dat zij geen jongere meer is.
Rubriek: 
Auteur: 
Ellen Deckwitz

Tralies van taal

Afgelopen week gaf ik workshops op een middelbare school en toen ik het lokaal binnenliep, werd er volgens mij Nederlands gesproken, maar helemaal zeker weten deed ik het niet.

‘Wat is de code, ik wil het helemaal leegtrekken’ riep een jongen tegen een van zijn klasgenootjes. Ik vroeg mij af of ik dit moest rapporteren, maar naderhand bleek het hier niet om seksuele intimidatie te gaan maar om het verkrijgen van toegang tot het internet. Dat was niet het enige moment van Babylonische verwarring. Toen ik zei dat ze, als ze hun best deden, vroeger vrij konden krijgen, riepen ze in koor ‘Lekker!’, alsof tijd een gerecht was en niet iets dat met de jaren steeds meer van óns afknaagt. En toen ik hen een gedicht van Hans Lodeizen liet lezen, zei een van de meisjes dat ze het een ‘echt smerig gedicht’ vond. Waarmee ze bleek te bedoelen dat ze er diep van onder de indruk was.

Een van de meisjes zei dat ze het een ‘echt smerig gedicht’ vond.

De halve workshop waren we kwijt aan misverstanden. Niet alleen begreep ik de taal van de leerlingen niet, op hun beurt snapten zij vaak niet waar ík het over had.

‘Schrijven is geen kwestie van inspiratie maar van transpiratie’ zei ik op een zeker moment. Een van de meisjes stak haar vinger op en vroeg wat transpiratie was. Een jongen rolde met zijn ogen. ‘Doe niet zo bada’, zei hij, ‘Dat is wanneer chick, in die tijd van de maand...’ Een ander meisje onderbrak hem met de boodschap dat hij maar moest gaan fappen.

Eenmaal thuis voelde ik me het hedendaags Nederlands amper machtig. Ben ik zo oud geworden, dacht ik, dat ik een woordenboek nodig heb om de nieuwe generatie te volgen? Want het leek erop dat de Jeugd van Tegenwoordig en ik (geboren in 1982) elkaar vanaf twee continenten iets toeriepen. Ik besefte dat als de evolutie van het Nederlands in dit tempo doorging, deze column morgen alweer onder historische letterkunde zou vallen.

Toen ik het er met mijn moeder, die ook Neerlandica is, over had, moest ze lachen.

Ik voelde me opeens niet alleen sprakeloos, maar ook over de datum.

‘Joh, dat hoort toch gewoon bij die leeftijd. Denk je nou echt dat die kinderen zo blijven praten als ze eenmaal volwassen zijn? Als puber heb je dat soort geheimtaal toch ook nodig. Alles verandert zo snel, ouders bemoeien zich met alles. Je wilt over wat er binnenin gebeurt alleen in code praten, met mede-ingewijden.’ Jongerentaal als een privéchatroom. Zo had ik het nog niet bekeken.

‘Dus ik loop niet achter?’ vroeg ik hoopvol. ‘Nee joh. Je bent alleen een buitenstaander.’ Ik voelde me opeens niet alleen sprakeloos, maar ook over de datum. Ik had die ochtend, vanachter tralies van taal, gezien dat ik geen jongere meer ben. Daar had ik de rest van de dag geen woorden meer voor.