Editie juli 2015

Ann De Craemer
Ann De Craemer
Rubriek: 
Auteur: 
Ann De Craemer

Weg met studentikoze nonchalance

Toen in juni voor duizenden Vlaamse studenten het einde van de examens in zicht was, verscheen in De Morgen een artikel over de ergernis van professoren over de taalfouten van hun studenten.

Aanleiding was de reactie van een anonieme docent op de website van Radio 1, waar er over onderwijs werd gediscussieerd. De man publiceerde op het forum alle taalfouten uit één examen van 117 studenten. Een aantal voorbeelden: ‘waarop zei nee zegt’, ‘een kajak die langs de rivier stondt’, ‘gelijdelijk’, ‘personen van u groep’ en ‘je mama geeft net een nieuwe auto gekocht’.

Plaatsvervangend rood van schaamte werd ik toen ik het las. Bij kinderen kan een foute spelling nog charmant zijn. Mijn neefje heeft net het eerste jaar beëindigd en schreef onlangs op een tekening voor zijn grootvader: ‘Mijn liefste opa van de geele werelt’. Tiele is een kind van zeven dat de taal ontdekt en de regels nog onder de knie moet krijgen, dus de fouten zijn hem vergeven, al heb ik hem wél op de juiste spelling gewezen.

Ik merk dat ouders en leraren dat steeds minder doen, misschien vanuit de veronderstelling dat kinderen op fouten wijzen ‘schadelijk’ is voor hun zelfvertrouwen. Strengheid past niet bij de vrije opvoeding die al decennia in de mode is, en het is net die laksheid die geleid heeft tot de schandelijke taalfouten die we vandaag aantreffen bij studenten. Samen met de vrije opvoeding van de jaren zeventig is in de taalkunde bij sommigen de idee ontstaan dat expressie boven de norm gaat. Jan Kuitenbrouwer noemde die episode in de geschiedenis van het Nederlandse taalonderwijs: ‘de muiterij op het Kofschip’.

Vandaag dragen we nog steeds de gevolgen van die muiterij. Voeg daar nog aan toe dat de taal die jongeren op sociale media gebruiken zich ook niets van de normen aantrekt, en amper iemand het nog aandurft om daar op taalfouten te reageren. Dan word je namelijk als een ouwe zeur neergezet – daar kan ik over meespreken. Zo vertrouwd zijn jongeren ook met het taalregister op sociale media dat ze vergeten dat het in mails aan hun docenten ongepast is om met ‘Yow’ te beginnen.

Er is maar één oplossing voor die verregaande nonchalance, ook gesuggereerd door Steven Delarue, docent Nederlands aan de UGent, in De Morgen: taalfouten aanrekenen bij niet-taalvakken, door bijvoorbeeld een stukje van de punten toe te kennen aan taal en stijl, zodat jongeren weten dat het een aandachtspunt is. Een student rechten die het verschil tussen ‘bekend bij de politie’ en ‘bekent bij de politie’ niet kent, kan later immers voor grote verrassingen komen te staan.

Dit is het artikel waar Ann De Craemer naar verwijst: 

Ze kunnen niet meer schrijven, meneer, De Morgen, 23/06/2015