Editie januari 2017

 

Ellen Deckwitz: 'Ja, dan wilde ik toch wel even een knotwilg aanvallen'.
Rubriek: 
Auteur: 
Ellen Deckwitz

Weten wat we zeggen

Ellen Deckwitz: 'Ja, dan wilde ik toch wel even een knotwilg aanvallen'.

De Italiaanse filosoof Paul Virilio schreef eens dat degene die de trein ontwierp, ook degene was die het treinongeluk in het leven riep. Zo zal de treinbedenker het hopelijk niet hebben bedoeld, maar het is wel zo dat alles wat ons leven zou moeten vergemakkelijken, onevenredig veel frustratie oproept wanneer het niet naar behoren functioneert. 

Uit onderzoek blijkt dat het meest geslagen huishoudelijke voorwerp nog steeds de computer is. Het onderdeel van de telefoon waar het meest op wordt gescholden betreft een applicatie die ons alleen maar wil helpen: de autocorrect voor berichten. Er kwam regelmatig stoom uit mijn oren als er weer eens ongevraagd een woord werd verbeterd. Appen is al een hele klus (dat stomme ge-hink-stap-spring met je duimen, daar kunnen die dingen niet voor bedoeld zijn) en als ik dan na een manuele uitputtingsslag bijna het woord ‘belastingverwonding’ had ingetoetst (het gevoel na het openmaken van een blauwe envelop) en dat door mijn foon op het laatste moment wordt gewijzigd in ‘belastingverwijdering’ (wat iets Heel Anders is!), ja, dan wilde ik toch wel even een knotwilg aanvallen.

Na lang uitstellen en nog langer de morfologische streken van de autocorrect te hebben ondergaan, ontdekte ik eindelijk hoe ik die irritante toepassing kon uitschakelen en was ik een tijdlang relatief gelukkig. Ik moest dan wel regelmatig typo’s herstellen, maar ik had tenminste weer het gevoel dat ik mijn eigen teksten schreef.

Opeens staat er ‘inseminatie’ terwijl je toch echt ‘introductie’ bedoelde. Aangezien het een appje naar een nieuwe vlam betreft, zijn die twee eigenlijk inwisselbaar.

Toen mijn vorige mobiel definitief de geest gaf (reanimatie, botox, niets hielp), kocht ik een smartphone. Mijn moeder had toevallig net een nieuwe computer aangeschaft. Ze appte me een foto van het ding en vroeg me waar de aan-knop zat (bij sommige pc’s is het even zoeken). Ik vond een gifje waarop dat werd uitgelegd. Toen ik haar het gifje echter stuurde, kreeg ik foutmelding op foutmelding.

Ik wilde haar toen het volgende appen: ‘Ik wilde je laten zien waar die aan-knop zit, maar het gifje liep vast.’ In plaats daarvan veranderde mijn mobiel ‘Gifje’ in ‘Godje’. En dat maakte van een doorsnee-mededeling opeens een prachtige poëtische zin.

Sindsdien houd ik de autocorrect aan voor dit soort onverwachte wondertjes. Laatst wilde ik ‘Mulisch’ schrijven en veranderde mijn telefoon dat in ‘Mulo’ (gelukkig stierf Harry voor hij dit mee hoefde te maken). Door net een draai te geven aan wat je wil zeggen, kan de autocorrect je opeens nieuwe inzichten bieden. Dat er opeens ‘inseminatie’ staat terwijl je toch echt ‘introductie’ bedoelde en dat, aangezien het een appje naar een nieuwe vlam betrof, die twee eigenlijk inwisselbaar zijn. Of dat je schrijft dat je door een opmerking van een collega werd verast maar ‘verrast’ bedoelde, en je je realiseert dat het eigenlijk weinig uitmaakt. De autocorrect haalt ons soms even uit het zelfbevestigende universum dat taal, als we niet uitkijken, kan zijn, en zorgt er daardoor voor dat we weten wat we zeggen. En daar mag ook wel eens bij worden stilgestaan.