Editie mei 2017

 

Ellen Deckwitz heeft met haar geliefde een heel nieuw vocabulaire ontwikkeld
Rubriek: 
Auteur: 
Ellen Deckwitz

Wie liefde vindt, verandert van taal

Ellen Deckwitz heeft met haar geliefde een heel nieuw vocabulaire ontwikkeld

De wetenschap ruziet nog steeds wat af over waar taal nou eigenlijk vandaan komt, maar iedereen die weleens ziek verliefd is geweest kent het antwoord allang: hele nieuwe lexicons ontstaan in de eerste nieuwe weken van relaties. Een bevriend stel ging tijdens de prille dagen van hun verkering naar een kinderboerderij (dat soort dingen bezoek je immers wanneer je niet meer zindelijk van de hormonen bent) en zag twee varkentjes heel knus bij elkaar zitten. Inmiddels zijn ze vijftien jaar en drie kinderen verder en gebruikt het gezin nog steeds het zelfbedachte werkwoord biggen, dat een soort mix van knuffelen en gezamenlijk relaxen inhoudt. 

Een ander koppel at eens tijdens hun tweede date in zo’n meervoudig sterrenrestaurant. De man die eenzaam aan het tafeltje naast hen zat vroegen ze maar, uit een soort compassie (wie net verliefd is heeft constant medelijden met zijn omgeving omdat hij zelf zo gelukkig is), of de man zijn wijn lekker vond. De wijn was oké, zei hij (dat mocht ook wel voor 35,40 per glas) maar niet zo goed als in zijn thuisstad Saragossa, dat hij uitsprak met veel slis en nog meer consumptie. Sindsdien is Sjaragosshhja voor deze twee hét woord geworden wanneer iemand zich blasé gedraagt zoals in zinnen als: ‘Wat zit dat mens vol Sjaragosshhja zeg!’

Sinds kort ben ook ik smoorverliefd. Met mijn geliefde heb ik inmiddels een geheel nieuw vocabulaire ontwikkeld.

Verliefdheid veroorzaakt pidgin: de vereenvoudigde taal die mensen met verschillende moedertalen met elkaar spreken. Het zijn brokjes van zinnen, gepaard met gebaren. En eigenlijk gebeurt dat ook als je wilt communiceren met een nieuwe aanbedene, zelfs als je dezelfde taal spreekt: je probeert een gemeenschappelijke deler te vinden en zo samen de wereld te herontdekken. Bovendien ken ik niemand die nog uit zijn woorden kan komen als hij high is van de liefde, het is dan wel zo makkelijk je van een vereenvoudigd lexicon te bedienen.

Sinds kort ben ook ik smoorverliefd. Met mijn geliefde heb ik inmiddels een geheel nieuw vocabulaire ontwikkeld, vol termen als mék, uitwagenwapperen en klontjesboel. Wat dit allemaal betekent is natuurlijk iets dat alleen mij en mijn lief aangaat, maar het punt is dat ik er ontzettend blij van word dat er nog steeds nieuwe woorden bijkomen, want dat betekent dat de wereld waarnaar ze verwijzen ook rijker is (want waarom zou je nieuwe begrippen uitvinden voor dingen die je al kent?).

Vannacht lag ik te zwijmelen en dacht ik opeens aan mijn favoriete Arabische gezegde: wie van taal verandert, verandert van ziel. Je zou dit spreekwoord kunnen aanlengen met: wie liefde vindt, verandert van taal, en dus van ziel. Dat vond ik een geweldige gedachte; dat iedere nieuwe liefde je er nieuwe stukjes ziel bij geeft, en dat er daarom nooit een einde aan taal mag komen, omdat dat zou betekenen dat dan ook het liefhebben is verdwenen. En uiteraard, omgekeerd. Mék!