Editie mei 2017

 

De honing. Smeer het op je brood?
Rubriek: 
Auteur: 
Maarten Dessing

‘Het meisje die’ leeft al sinds middeleeuwen

De honing. Smeer het op je brood?

‘Het meisje die’ lijkt grammaticaal gezien fout. Toch zeggen we dat al sinds de middeleeuwen, ontdekte Margot Kraaikamp. De taalkundige wil echter niemand het recht ontzeggen daarover te blijven klagen.

Het Nederlands verandert terwijl je praat of schrijft. Dat merkt taalkundige Margot Kraaikamp al haar hele leven. ‘Je hoort of leest voortdurend nieuwe woorden of nieuwe uitdrukkingen. Je hoort het zelfs bij jezelf. Dan gebruik je opeens een woord dat je lang lelijk en raar hebt gevonden omdat het afweek van wat je gewend was. Ik vind die processen geweldig interessant. Op de middelbare school vielen mij de overeenkomsten op tussen het Engels en het Nederlands zoals bij kinderen en children - woorden die nu totaal anders klinken, maar als je goed kijkt duidelijk aan elkaar verwant zijn.’

Iedereen heeft een mentaal woordenboek in zijn hoofd en gebruikt automatisch het goede geslacht.

Maar wanneer verandert de taal? Men is geneigd te denken dat uitdrukkingen als ‘het meisje die’ of ‘de regen – ik vang het hierin op’ recente taalverloedering zijn. Omdat het geslacht van de voornaamwoorden niet meer goed wordt onderwezen op school. Of omdat er tegenwoordig zo veel niet-moedertaalsprekers zijn in Nederland. Kraaikamp vond echter in haar onlangs afgeronde promotieonderzoek dat deze uitdrukkingen al in de late middeleeuwen voorkwamen en een wezenlijk onderdeel zijn van ons taalsysteem.

Mentaal woordenboek

‘Alle woorden hebben een geslacht,’ legt Kraaikamp uit. ‘Het-woorden zijn onzijdig, de-woorden zijn niet-onzijdig – het onderscheid tussen mannelijk en vrouwelijk is eigenlijk vervaagd. Voornaamwoorden congrueren daarmee. Het is daarom het meisje dat. Iedereen heeft een mentaal woordenboek in zijn hoofd en gebruikt automatisch het goede geslacht. Behalve als het lexicale geslacht niet overeenstemt met het geslacht dat we op grond van de betekenis aan een woord toekennen. Dan krijgt dat soms de voorkeur. Daarom hoor je mensen ook wel het meisje die zeggen.’

Deze vormregel gaat dwars tegen de betekenisregel in dat woorden die naar mensen verwijzen meestal de-woorden zijn. Er zit zo een spanning in het systeem.

Eigenlijk logisch, vindt Kraaikamp. ‘Welk geslacht een woord heeft is in het Nederlands vaak arbitrair. Er zit weinig systeem in. Al bestaan er wel enige regelmatigheden. Woorden die eindigen op -je zijn altijd onzijdig. Maar deze vormregel gaat dwars tegen de betekenisregel in dat woorden die naar mensen verwijzen meestal de-woorden zijn. Er zit zo een spanning in het systeem. Als we het meisje dat zeggen gaat de vormregel voor, maar bij een uitdrukking als het meisje, ik zie het lopen klinkt dat voor veel mensen idioot. Dan gaat de betekenisregel voor.’

Witten ghymbere

Hetzelfde verschijnsel treedt bijvoorbeeld ook op bij niet-levende dingen. In het Nederlands verwijs je vaak naar niet-onzijdige stofnamen als regen, honing of gember alsof het het-woorden zijn. Volgens het woordgeslacht zou je moeten zeggen: er valt hier veel regen, ik vang hem op. Toch zegt men vaak: ik vang het op. Of: de honing, smeer het op je brood. En dat doen we al eeuwen, ontdekte de promovenda. ‘Zoals we ook in Middelnederlandse teksten uitdrukkingen tegenkomen als het wyf die ik zag.’

Kraaikamp ging in Middeleeuwse teksten op zoek naar voornaamwoorden die verwijzen naar niet-levende dingen. ‘Eerst in ridderverhalen. Maar daar wordt bijna alleen verwezen naar de ridder en een enkele keer naar een zwaard. Toen keek ik naar receptenboeken uit het begin van de zestiende eeuw. Daarin tref je veel verwijzingen aan, omdat het in de beschrijving van de bereiding voortdurend gaat over ingrediënten als gember – Dan neempt witten ghymbere ende tempert dat met verjuys (neem dan witte gember en meng dat met verjus).’

Mijn versus mein

Toch is het Nederlands op dit punt veranderd, denkt Kraaikamp. In deze receptenboeken wijken de voornaamwoorden in ongeveer een kwart van de gevallen af van het lexicale geslacht. Tegenwoordig is het bijna de norm: er wordt meestal met ‘het’ verwezen naar stoffen. Bovendien bestaat nu ook de neiging om naar onzijdige voorwerpsnamen, zoals bord of mes, met ‘hem’ te verwijzen. Dat blijkt uit eerder onderzoek aan de hand van het Corpus Gesproken Nederlands en uit de experimenten die Kraaikamp heeft uitgevoerd om het Nederlands en Duits met elkaar te vergelijken.

Hoe komt dat? ‘Je zou kunnen denken dat we misschien niet goed meer weten welk geslacht de-woorden hebben. De tafel, is dat mannelijk of vrouwelijk? Vlamingen weten het misschien nog wel, maar in het Noord-Nederlands is die kennis verdwenen. Ik denk echter dat er wat anders speelt, alleen al omdat die verloren kennis niet speelt bij het-woorden. Iedereen weet dat meisje een het-woord is en zegt toch: het meisje, daar loopt ze. Ik denk dat de verklaring eerder ligt in de mate waarin het geslacht van woorden zichtbaar is. Die zichtbaarheid is – anders dan in het Duits – kleiner geworden.’

Kraaikamp legt uit: ‘Als je zegt dit bord, zie je daarin dat het een onzijdig woord is. Bij mijn bord zie je dat niet. In een van mijn experimenten lokte ik sprekers uit naar dit woord te verwijzen. Als de spreker zei mijn bord werd veel vaker hem gebruikt. In het Duits kun je echter ook in dat geval zien dat bord onzijdig is: omdat mein wordt vervoegd. In het Nederlands zijn de naamvallen, die in de middeleeuwen nog gewoon waren, verdwenen. Het woordgeslacht is hierdoor minder zichtbaar geworden en daardoor laten taalgebruikers zich mogelijk vaker leiden door betekenis.’

Taal is een krachtige markering van iemands identiteit. Hoe je praat, laat zien waar je vandaan komt, tot welke groep je behoort en wil behoren.

Markering van identiteit

Kraaikamp heeft zo aangetoond dat de spanning tussen vorm en betekenis, zoals ze het noemt, diep verankerd is in het Nederlands. Klaag dus niet langer over het meisje die als taalverloedering. Kraaikamp is geen taalkundige die wil doen alsof mensen helemaal geen oordeel mogen hebben over taal. ‘Ook dat hoort namelijk bij taal. Taal is een krachtige markering van iemands identiteit. Hoe je praat, laat zien waar je vandaan komt, tot welke groep je behoort en wil behoren.’

Zelf is er ook niet immuun voor, erkent ze. ‘Ik kan als taalkundige hele verhandelingen houden over waarom hun hebben een logische taalvariant is, maar tegelijkertijd vind ik er als taalgebruiker ook wat van. Dat oordeel vormt zich grotendeels onbewust. Omdat ik toevallig ben opgegroeid in een omgeving waar niemand dat zegt, klinkt het voor mij heel vreemd. Maar over tien jaar denk ik er misschien wel heel anders over. Dat is het bijzondere van taalverandering. Als je iets vaak genoeg hoort, sluipt het vanzelf je grammatica binnen.’

Het bestuderen van taalveranderingen blijft daarom voor haar het interessantst. Nu haar promotie aan de Universiteit van Amsterdam achter de rug is, zoekt Kraaikamp een nieuwe aanstelling waarin ze dat kan blijven doen.

Hem of haar?

Zie ook de rubriek Vraag aan de Taalunie, met dit keer een vraag over het persoonlijk voornaamwoord bij verwijzingen naar vrouwelijke zelfstandige naamwoorden.