Editie januari 2016

Rubriek: 
Auteur: 
Michiel Leen

Stefan Hertmans: neem en lees

Met de bundel Neem en lees bezorgt auteur Stefan Hertmans het Poëzieweekgeschenk voor 2016. Een gebalde, even uitnodigende als tegenstrijdige staalkaart van wat poëzie nog vermag in onzekere tijden, met teksten waarin het persoonlijke en het collectieve geheugen elkaar de hand reiken.

Ik zei: herinneringen zijn ervaringen
die zinken in het slib van je emoties
Je vond het vergezocht. Ik ook.

Klinkt  het in het gedicht  ‘A 1000 xx deep.’

Die titel is een knipoog naar een lied van Leonard Cohen, maar op de cover treffen we kerkvorst Sint- Augustinus aan. Het mag duidelijk zijn: in dit kleine gelegenheidswerk gaat Hertmans de tegenstrijdige uitdagingen van het herinneringsproces langs alle kanten tegelijk te lijf. En de lezer krijgt meteen het gebod om het boek op te pakken en open te slaan.

Stevige kost voor een boekje dat een breed publiek tegemoet moet?

‘Daar heb ik ook aan gedacht, vandaar die uitnodigende titel. Ik wil herinneringen niet alleen als iets particuliers zien. Er is ook een collectief geheugen, dat tegelijkertijd een persoonlijke kant heeft. György Konrád zei ooit: ‘Op de vraag naar de geschiedenis antwoordt iedereen met zijn levensverhaal.’ Dat had het motto van dit bundeltje kunnen zijn, want het is ook de waarheid. Die spanning tussen het algemene en het particuliere was heel belangrijk voor mij.

Neem nu het beeld van de kleine Aylan Kurdi die dood aanspoelt op een Turks strand. Iedereen die kleine kinderen heeft, kent de angst dat zijn kind zal verdrinken. Kinderen lopen recht de zee in, ze verzuipen zichzelf van extase. Maar de kleine Aylan is niét verdronken in extase, wel van ellende. Het beeld wordt persoonlijk, raakt vermengd met je eigen persoonlijke angsten. Persoonlijke herinneringen zijn ook heel universeel: iedereen weet wat verliefd zijn is, wat verdriet is, wat angst is voor de dood, wat een duistere herinnering is, of een hoopgevende. Maar herinneringen kunnen ideologische, politiek geladen gegevens worden. Dat zie je in de strijd tussen mensen die de vluchtelingen gaan helpen en politici als Bart De Wever die zeggen dat ze zich door dergelijke beelden niet laten ‘chanteren.’ We hebben geen enkele empathie met die mensen zolang we ons niet kunnen voorstellen wat er in hen  omgaat. Een middenweg lijkt er niet te zijn: algemene hardvochtigheid in principe, liefdadigheid en emotie voor het individu. Want dat ene individu wekt plots empathie, of op zijn minst sentimentaliteit. “Je kunt niet treuren om de Holocaust,” zei Hannah Arendt, waarmee ze veel Joodse mensen choqueerde. Je kunt niet triest zijn om zes miljoen doden tegelijk. Je wordt maar geraakt door wat je ziet. Dat heeft mij doen nadenken: zodra je weet wat er in andermans hoofd omgaat, If you share a memory, dan wordt iemand een medemens.’

'Herinneringen zinken in je emoties en daaruit destilleer je een beeld.'

Je wist van bij het begin dat er expliciete verwijzingen naar de actualiteit in de bundel zouden komen?

‘Twee gedichten verwijzen naar de vluchtelingenproblematiek. Maar ik wilde niet de indruk geven dat ik op een kar wilde springen. Zo’n gedicht mag niet gewoon op de actualiteit geplakt zitten. Daarom hebben de gedichten neutralere titels gekregen. Zo blijven ze over tien jaar nog relevant en kunnen ze dan dienen als herinnering aan die periode waarin Europa plots in de knoei zat met vluchtelingen. Het probleem is van alle tijden. Ik schrijf nu een boek over een vluchteling uit de elfde eeuw, en nog gaat het over vandaag. Dezelfde verhalen komen terug.’

Zit het vergeten ook in de bundel?

‘Onvermijdelijk. De herinnering is de donkerste plek op de duistere muur van het vergeten, wist Walter Benjamin al. Een ongelooflijke uitspraak, die aantoont wat de psychoanalytici al lang weten: een groot deel van je herinnering is verbeelding. Voor een schrijver is dat gefundenes Fressen. Het vergeten hoort bij het herinneren: je brengt jezelf iets opnieuw te binnen dat jou al ontschoten was. Dat heb ikzelf gemerkt bij het schrijven van Oorlog en Terpentijn. In je herinneringen en gevoelens liggen de dingen te gisten, tot ze plots weer bovenkomen. Herinneringen zinken in je emoties en daaruit destilleer je een beeld. De synapsen van je brein hebben een ingesleten weg, maar er zijn ook niet-ingesleten triggers: je herinnert je in dezelfde flits iets van gisteren, maar ook iets van toen je klein was. Neurologisch is een herinnering enorm interessant.’

Heeft de dichter Hertmans een ander temperament dan de romanauteur?

‘De essayist heeft een ander temperament: dat is mijn rationele ik die op zijn paard zit en draaft. Proza ligt daar dichtbij, omdat je naast de persoonlijke aanzet aandacht aan plot, stijl en constructie moet besteden. In mijn poëzie draait alles om dat ene, beklijvende beeld. Je moet eraan werken tot je wéét dat er een raadsel inzit. Zo’n gedicht kan jaren liggen wachten op zijn gelijk, maar het bééld is blijven hangen. Een beeld kan ook troebel zijn, daar speel ik graag mee.’

 'In mijn poëzie draait alles om dat ene, beklijvende beeld.'

Welk effect heeft poëzie vandaag nog?

‘It’s a short read, en daardoor uitermate geschikt voor het internettijdperk. Een gedicht is kort en dient zich aan als een beeld: een groot voordeel in de tijden die eraan komen. Ik denk niet dat het slecht gaat met de poëzie. Ze zal nieuwe wegen vinden en weer terugkeren naar een meer orale vorm. Als proza filmisch is, is poëzie fotografisch.’

Heb je het gevoel dat je een eigen positie bepaalt in de poëzie?

‘Als ik me op voorhand zou opstellen als iemand die een positie te verdedigen heeft, verlies ik de subtiliteit die ik wil hebben in mijn gedichten. Ik blijf getekend door ‘Das Offene in den Dichtungen’ van Hölderlin. Dat Offene is ook iets duisters. Verliefdheid, seksuele aantrekkingskracht is duisternis en helderheid tegelijk. Ik zie de literatuur bijna in diezelfde erotische termen. Als je de poëzie echter  gebruikt om te zeggen “ik sta hier”, dan ben je een pseudo-minnaar die tegen een vrouw zegt “ik beveel je om hier te komen zitten.” Wie in de liefde denkt te kunnen bevelen, verliest. Dus je kunt alleen maar proberen, openheid te creëren die iets onvoorspelbaars heeft en voor twee mensen spannend is. Ik hoef geen gedicht dat zichzelf compleet uitlegt. Ons spreken is al zo functioneel, we zijn al constant bezig onze argumenten erin te hameren bij anderen. Laten we maar een luwe ruimte maken, waarin we met taal iets veel vrijers, subtielers en aantrekkelijkers kunnen doen. Niemand kan je daarin meezuigen als je er niet klaar voor bent. Ik geloof dat iedereen in principe ontvankelijk is voor de poëzie, maar dat niet iedereen voor zichzelf de behoefte heeft die te verkennen. Het deert me niet als mensen zeggen dat ze geen poëzie lezen. Dan antwoord ik: “Heb je een mooie auto? Da’s ook fijn.” (lacht)

'Een gedicht is kort en dient zich aan als een beeld: een groot voordeel in de tijden die eraan komen.'

Maar je gaat tijdens de Poëzieweek wel als een soort ambassadeur op pad door Nederland en Vlaanderen?

‘Ja, maar dat is waarschijnlijk preaching to the converted. Ik ben niet het bekerende type. Maar op het podium sta ik volledig achter mijn poëzie. De toeschouwer moet kunnen zien dat ik elke letter van wat ik voorlees meen. Zonder veel show: take it or leave it, neem en lees.’