Editie september 2015

Taal in je werk
Taal in je werk
Rubriek: 
Auteur: 
Inge Schelstraete

Taal en carrière

De verpleger op de spoed die snel ontdekt wat je klacht is. De vakbondsvrouw die je oproept tot actie. Niet alleen schrijvers hebben baat bij een goede taalvaardigheid. Taal schept kansen. Vier verhalen over taal in je werk.  

Nina Van Eeckhaut

  • is advocaat familie- en strafrecht, waaronder assisenzaken (rechtszaken waarin een volksjury oordeelt). Op haar vijfde wist ze al dat ze rechten wilde studeren. Haar vader was de bekende Belgische strafpleiter Piet Van Eeckhaut. *De vrouw op de foto is niet Nina Van Eeckhaut.

'Taal is een wapen. Het is mijn instrument - een sleutel waarmee je de geesten opent. Deze maand pleit ik voor een verpleegster die ervan wordt beschuldigd dat ze haar moeder, een Alzheimerpatiënte, heeft geprobeerd te doden. Ik lees nu Gestameld Liedboek van Erwin Mortier, over de Alzheimer van zijn moeder. Ik word er droevig van, maar hij schrijft zo mooi. Ik zal tijdens het proces passages uit het boek voorlezen, want ik kan het niet zo goed verwoorden als hij.

Alles kan inspiratie zijn, te beginnen met de cliënten zelf. Mensen kunnen zo treffend hun situatie beschrijven, zelfs als ze zich moeilijk uitdrukken. Een flard van een gesprek kan de kern van een pleidooi zijn. Als mensen hun verhaal vertellen, is het anders, dieper dan wat in een pv (proces-verbaal) staat. Getuigen kunnen zeggen dat ze iets niet zo hebben gezegd, of dingen toevoegen aan hun verklaring. Bij een assisenzaak heeft de jury het dossier niet, de juryleden luisteren en krijgen een ander beeld dan uit de pv's. Daarna pleit ik. Ik schrijf mijn pleidooi niet helemaal uit: dan ben je de gevangene van je tekst. De sprekendste beelden komen boven als je improviseert.

Als ik wil dat de rechter mij gelooft, moet ik mijn cliënt geloven. Ik blijf doorvragen tot ik het hele verhaal ken. Soms spelen er taboes, schaamte, oude pijn die belangrijk is voor de context. Mijn vader zei altijd: advocaten moeten spreken voor wie het zelf niet krijgt uitgelegd. Dat houd ik me altijd voor.'

Elsy Tyvaert 

  • Elsy Tyvaert geeft Nederlands aan anderstaligen in het Centrum voor Volwassenenonderwijs IVO in Brugge. Daarvoor doceerde ze taalvaardigheid, Nederlands en communicatie. 

'Als ik ga winkelen, word ik vaak bediend door ex-cursisten. Je hebt véél taal nodig als verkoper: je moet informatie geven, antwoorden op soms onverwachte vragen, mensen overreden, doorvragen tot je weet wat ze willen. Dat kun je leren.

Toch staat Nederlands voor veel cursisten gelijk aan spelling en grammatica. Dat is erg beperkt. Aan je taalvaardigheid werken, maakt je kritischer en zelfstandiger; je werkt aan je persoonlijke ontwikkeling. Grammatica en spelling zijn ondersteunende middelen bij het geven van informatie of bij het schrijven van teksten. Voor veel mensen is dat de omgekeerde manier van leren.

Meestal onderschatten cursisten zichzelf. Ze zwijgen omdat ze denken dat ze dom zullen overkomen, terwijl durven in taal heel belangrijk is. Ik herinner me een vrouw die in haar eerste lessen vergadertechnieken zei dat ze niets te vertellen had en op het einde voorzitter was van haar vakgroep.

Mijn advies is altijd: blijf jezelf. Het heeft geen zin een rol te spelen, woorden te gebruiken die niet bij je passen, of je sollicitatiebrief door iemand anders te laten schrijven. Weet wat je zelf wilt. Als ik spreek, hoor je dat ik uit West-Vlaanderen kom. Het is niet mijn ambitie om nieuwsanker te worden, dus ga ik die tongval niet wegwerken. Maar zelfs als je ergens werkt waar streektaal de voertaal is, moet je ooit vergaderen buiten je provincie, of je een verslag schrijven. Als je taalvaardig bent, heb je een streepje voor: Nederlands is een wapen om te zeggen wat je wilt zeggen en te bereiken wat je wilt bereiken.'

Nico Dijkshoorn

  • schrijft wekelijkse columns in Het Nieuwsblad, De Volkskrant en het tijdschrift VI, en schrijft elke woensdag live een gedicht in De Wereld Draait Door (een populair Nederlands tv-programma)

'Ik heb twintig jaar in de bibliotheek van Amstelveen gewerkt. Ik zat daar niet in een vochtige kelder te verlangen naar de tijd dat ik een bekend schrijver zou worden; mijn werk leek erg op wat ik nu doe. Ik kon teksten schrijven en tentoonstellingen organiseren. Ik schreef graag en was heel jong een fanatiek lezer. Heavy boeken, dankzij een oom die me op mijn dertiende de Russen te lezen gaf. Dat hield ik voor mezelf: ik kom uit een gewoon arbeidersgezin, en die boeken behoorde tot mijn wereldje. Er is een levensveranderend moment geweest op school, toen Jan Dols, mijn leraar op de havo (in België het ASO, red.), mij vroeg mijn opstel voor te lezen. Het was zwaar door Gerard Reve beïnvloed, met beschrijvingen over hoe ik op straat aan de oksel van mijn trui rook om te weten of ik hem nog een dag kon dragen. Niemand vond het stom, zoals ik had gevreesd. Die dag besefte ik dat ik aardig kon schrijven, en dat ik het fijn vond om een publiek te hebben.

Mensen denken dat ik verbaal ook ad rem ben, maar ik moet het uitschrijven om het te kunnen verwoorden. Ik bewonder mensen die in volzinnen kunnen spreken. Ik zag Karel van het Reve laatst op tv prachtig zijn gedachten ontvouwen, in een superieur taalgebruik. Ik gebruik voorbeelden en stopwoordjes. Dat maakt me geschikt om te vermaken.

Dat het erop of eronder is, is ook een vorm van entertainment. Ik bereid mijn gedichten in De Wereld Draait Door niet voor, dat zou als bedrog aanvoelen. Maar ik kan wel altijd uitleggen waarom het gedichten zijn: hier gebruik ik alleen korte woordjes, daar ga ik versnellen. Bij mij gaat het om de vibe. Tempo en ritme, dat heb ik wel in de vingers.'

 

Danielle Vernhout

  • is freelance copywriter – zelf verkiest ze het woord 'tekstschrijver'. Ze schrijft vooral voor websites van non-profit organisaties.

'Het ultieme genot is toch iets in één woord te kunnen zeggen. Ik werkte als communicatieadviseur voor een pr-bureau, onder meer voor omroepen als de AVRO en de NCRV. Ik had een goede pen, maar schrijven was niet echt mijn insteek. Pas toen onze vaste tekstschrijver op vakantie was, schreef ik een brochure voor een klant. Daar heb ik nachten van wakker gelegen, maar het was een succes: de klant vond het duidelijk en bondig.

Ik ben steeds meer gaan schrijven. Het bureau maakte bijvoorbeeld een magazine voor drie verenigingen: heerlijk vond ik dat, de formule zoeken waarin die bloedgroepen samenkwamen. Dat ik de juiste toon kan treffen, is volgens mij mijn sterkste punt. Ik maak wel eens taalfouten, maar ik lees altijd secuur na en bespreek de laatste oneffenheidjes met anderen.

De delicate onderwerpen vind ik het spannendst. Ik schrijf de laatste jaren bijvoorbeeld veel voor de terminale zorg. Ik spreek dus tot mensen die doodgaan, die iemand verloren hebben of een zieke begeleiden. Je wilt niet tot zieken spreken alsof ze al dood zijn. Ik denk lang na over hoe ik het ga aanbrengen. Als de eerste zin er staat, rolt de rest van de tekst er wel uit. De directheid waarmee Patrick Lodiers in Over mijn lijk (Nederlands programma dat jonge mensen volgt die doodgaan)  interviewde, vind ik een maatstaf. Je kunt iets onprettigs beter kort benoemen, dan het krampachtig omschrijven.

Je bent taalvaardig als je bruggetjes kunt bouwen: de lezer staat hier, daar staat een prachtige non-profit organisatie, hoe breng ik ze bij elkaar? Taalvaardigheid gaat voor mij om de toon en de verbinding. Als ik op het internet teksten zie die compleet navelstaarderig zijn, of heel simplistisch, of waar de logica zoek is, denk ik: dat kan beter.'