Editie januari 2015

Rubriek: 
Auteur: 
Geert Joris

Nederlands is geen luxeproduct

Nederlanders en Vlamingen vinden het onwaarschijnlijk, maar voor Surinamers is het doodgewoon: Hindoestanen, Javanen, Chinezen, Nederlanders, Libanezen, Brazilianen en mensen met nog heel andere achtergronden, ontmoeten elkaar in het Nederlands.

In deze aflevering van Taalunie:Bericht praten we met twee inwoners van Paramaribo. En het valt meteen op: ze hebben het Nederlands niet cadeau gekregen. Ze hebben zelfs bijzonder veel moeite moeten doen om het onder de knie te krijgen. Maar ze zijn er heel trots op dat het is gelukt. André Carneiro (36) heeft van zijn vader, een brandweerman, geleerd wat Nederlandse woorden betekenen en hoe je ze moet uitspreken. Die lessen waren hard, en er vielen soms klappen, maar zijn kennis komt hem nu van pas als ober.

Bij Shelley Wong (18) ging het omgekeerd. Of beter: dat was de bedoeling. Haar ouders spreken alleen Kantonees en Shelley heeft geprobeerd hun Nederlands te leren. Maar dat is niet gelukt. Begrijpelijk, misschien, als je bedenkt hoe ver het Nederlands en het Chinees van elkaar af staan.

Wat me het meest boeit in deze twee verhalen, is de motivatie, in het ene geval van de vader, in het andere geval van de dochter. Zonder Nederlands krijg je nooit een goede baan, zeggen ze. Zonder Nederlands kun je niet deelnemen aan het gesprek op een ouderavond op school. Zonder Nederlands kun je je kinderen niet helpen met schoolwerk.

Nederlands is geen luxeproduct in Suriname. Mensen hebben het nodig om vooruit te komen in het leven. De maatschappij heeft het nodig om bij elkaar te blijven in overleg en verstandhouding.

Misschien staan Nederlanders en Vlamingen, voor wie het Nederlands een vanzelfsprekendheid is, te weinig stil bij de noodzaak van taal. Akkoord, taal kan mooi zijn, taal kan plezierig zijn en taal kan interessant zijn om te doorgronden. Maar als je hard moet knokken om je te handhaven in de samenleving, is taal het krachtigste gereedschap dat je ter beschikking hebt.