Editie september 2015

Mikolaj Turek
Mikolaj Turek
Rubriek: 
Auteur: 
Ingrid Degraeve

Aan het werk in Polen door het Nederlands

Mikolaj Turek (27) studeerde germanistiek aan de Universiteit van Warschau en was onderzoeker aan de Radboud Universiteit in Nijmegen. Nu is hij docent en geeft hij taalverwervingslessen aan de stichting 'Dom Holenderski' ('Nederlands Huis') in Warschau. Daarnaast werkt hij ook voor een internationale bank, dankzij zijn kennis van het Nederlands.

Waarom bent u het beroep van taaldocent gaan uitoefenen?

Mikolaj Turek: Ik wilde altijd al lesgeven. Op de basisschool keek ik met bewondering toe hoe mijn juf haar klassenboek invulde en cijfers gaf. Ik maakte thuis mijn eigen versie van zo’n boek. Op de universiteit koos ik voor methodiek als specialisatie. Toen ik in 2011 afstudeerde, vroeg een docent of ik aan een groep beginners wilde lesgeven. Dat heb ik gedaan en dat was de beste beslissing in mijn carrière.

U werkt behalve aan een taleninstituut ook bij een internationele bank. Denkt u dat uw kennis van het Nederlands een rol speelde om aangenomen te worden? 

Mijn kennis van het Nederlands speelde inderdaad een cruciale rol. Tijdens het sollicitatiegesprek gaf ik aan dat ik niets van bankieren wist. De teamleider zei: "We kunnen u snel leren bankieren, het Nederlands daarentegen leert niemand in een paar maanden tijd. Daarom krijgt u deze baan."

U hebt cursisten die het Nederlands voor hun werk nodig hebben. 

Mijn cursisten oefenen verschillende beroepen uit, waarvoor het beheersen van de Nederlandse taal belangrijk is. Ik heb cursisten die op de afdeling personeelszaken en klantenservice bij banken of medische bedrijven werken. Anderen zijn arts, architect of ontwerper. Ze gebruiken het Nederlands om hun professionele contacten met Nederlandstalige klanten en collega’s te onderhouden en om gegevens in computerprogramma’s te beheren. Sommigen presenteren in het Nederlands of gebruiken bronnen in het Nederlands, zoals procedures en wetboeken. Ik merk dat de cursisten tijdens hun academische opleiding weinig leren over zakelijke contacten en daarom op dat vlak aangepast lesmateriaal en extra begeleiding nodig hebben.

Hoe bekijken uw cursisten de Nederlandse en Vlaamse werkcultuur? 

Het is voor hen belangrijk om snel inzicht te krijgen in wat de verschillen tussen de Nederlandse, Vlaamse en Poolse werkcultuur zijn. Mijn cursisten zijn studenten die bij internationale bedrijven werken. Daarom zijn ze zich ervan bewust dat de werkcultuur van land tot land verschilt. Zo moet je bijvoorbeeld weten dat de Nederlandse werkcultuur een vergadercultuur is met vlakke hiërarchische relaties. Dat is helemaal anders in Polen. 

De interessantste dingen leer je in de praktijk. Op een van mijn eerste werkdagen op de bank belde ik een collega uit België met een Nederlandse achternaam. Ik praatte enkele minuten door, een beetje gespannen omdat ik zo goed mogelijk het Nederlands wilde praten. Opeens hoorde ik haar zeggen: "Sorry, ik begrijp u niet, Frans misschien?" Hierop probeerde ik haar ervan te overtuigen dat ze me niet met 'u' hoefde aan te spreken. Het bewijs dat ik geen idee had van de Vlaamse variant van het Nederlands. Toen pas realiseerde ik me dat ze uit Wallonië kwam en maar enkele zinnen in het Nederlands kende. Ik kreeg een ander beeld van België: tot dat moment dacht ik dat iedereen in België vlekkeloos Frans én Nederlands kon spreken.

Wat is de ideale manier om zakelijk Nederlands te onderwijzen? 

Het ideale materiaal is natuurlijk authentiek materiaal. Daarom verzamel ik scenario’s, situaties of e-mails van het werk en verwerk ik ze om ze in de les te gebruiken. Wij bellen bijvoorbeeld met echte mobieltjes: de ene cursist speelt een klant en een andere zit in een ander lokaal en speelt een medewerker van een klantenservice. Op deze manier leren ze zo natuurlijk mogelijk door de telefoon te spreken.

Af en toe nodig ik Nederlandse of Vlaamse collega’s van de bank uit naar de les. Ze praten met de cursisten over overeenkomsten en verschillen in de werkculturen. Verder geven mijn cursisten presentaties over hun eigen werk of over de onderwerpen die ze later op hun werk moeten gaan presenteren.

Waar haalt u uw inspiratie vandaan?

Inspiratie vind ik vooral in het professionele leven, door de mensen en de werkcultuur om me heen te observeren. Een inspiratiebron voor mij zijn de docentencursussen georganiseerd door de Taalunie. Afgelopen zomer mocht ik als assistent-medewerker helpen organiseren én lesgeven op de studentencursus van de Taalunie. Die werkervaring heeft me ook op veel ideeën gebracht die ik vanaf oktober in mijn lessen zal uitproberen.

U heeft zelf Nederlands aan de Universiteit van Warschau gestudeerd. Wist u als student al welk beroep u met het Nederlands wilde uitoefenen? 

Ik moet toegeven dat ik het als beginnend student nog niet wist. Ik was ervan overtuigd dat ik les wilde geven. Aan een andere baan dacht ik niet. Ik wist zelfs niet dat ik met het Nederlands ander werk kon krijgen. Daarom vind ik het prachtig dat mijn kennis van het Nederlands zoveel deuren in mijn carrière heeft geopend.

Hoe schat u de beroepsgerichtheid van studenten Nederlands in? Weten studenten doorgaans welk beroep ze met het Nederlands willen uitoefenen?

De studenten van tegenwoordig weten steeds beter wat ze willen doen: ze studeren op meerdere faculteiten en gaan vroeger stagelopen bij bedrijven. Om jongeren te helpen bewuste keuzes te maken, werk ik mee aan het project 'Dag van de Vreemde Talen'. Het betekent dat ik een proefles Nederlands aan scholieren van middelbare scholen in Warschau geef. Zo promoten we de Nederlandse taal en cultuur en laten we ook zien dat er heel veel kansen zijn om met het Nederlands werk te vinden. Het spreekt ze aan want ik sta daar als levend voorbeeld van iemand die van de kennis van het Nederlands heeft geprofiteerd.

Spelen docentschappen in het buitenland daar voldoende op in? Hoe kunnen ze dat nog beter doen? Welke rol kan de Taalunie daarbij spelen?

De docentschappen in Polen beginnen steeds meer aandacht te besteden aan de toekomst van hun studenten. Een voorbeeld daarvan zijn verplichte stages voor de studenten in het derde studiejaar. De docentschappen kunnen nog meer doen door carrièredagen te organiseren of mensen naar de colleges uit te nodigen die dankzij hun kennis van het Nederlands hun loopbaan hebben opgebouwd.

Een andere prachtige optie is dat de Taalunie doorgaat met het organiseren van Zomercursussen. Daar kunnen studenten alvast contacten leggen en zich in een vroeg stadium realiseren dat ze met het Nederlands heel wat kunnen bereiken. Dat is wat mij is overkomen tijdens de zomercursus van de Taalunie in Zeist vijf jaar geleden. Ik heb er toen eigenlijk dankzij de cursus voor gekozen om het Nederlands voor mijn beroep in te zetten.