Editie januari 2017

 

Instituut voor de Nederlandse Taal: alle mogelijke taalmaterialen onder één dak
Rubriek: 
Auteur: 
Auteur: Maarten Dessing

Je eigen taal blijven horen

Instituut voor de Nederlandse Taal: alle mogelijke taalmaterialen onder één dak

De markt voor vertalingen heeft enorme proporties aangenomen. Bijna niemand is zich daarvan bewust, weet Frieda Steurs. Als nieuwe directeur van het Instituut voor de Nederlandse Taal, met alle mogelijke taalmaterialen onder één dak, wil zij garanderen dat bedrijven en instellingen naar het Nederlands blijven vertalen. Want iedere consument en iedere burger wil zijn eigen taal horen.

De auto voor de deur komt uit Duitsland, Frankrijk of Japan. Toch kun je gewoon in het Nederlands commando's geven om de ingebouwde navigatieapparatuur te bedienen. Rara, hoe kan dat? Als Frieda Steurs dat aan haar studenten vraagt, kijken ze haar glazig aan. Dáár hadden ze nooit bij stil gestaan. 'Hetzelfde geldt voor hun smartphone. Hoe komt het dat je die niet hoeft te gebruiken in de taal van de producent, maar die meteen op Nederlands kunt instellen? Ze hebben geen idee.'

Van handleidingen voor computers tot productinformatie op internationale online winkels – er wordt enorm veel in het Nederlands vertaald. 'Maar dat is verborgen', zegt Steurs. 'Mensen vinden het normaal om naar de sites van Volvo, Apple of welke multinational ook te surfen en dan alles in het Nederlands te kunnen lezen. Zeker Nederlanders staan er niet bij stil. Vlamingen zoals ik zijn er gevoeliger voor. Bij iedere Belgische site moet ik meteen, voor ik verder kan gaan, mijn taal kiezen: Nederlands of Frans.'

Markt geëxplodeerd

Als studenten Letteren aan de KU Leuven – waar Steurs nog altijd verbonden is aan de onderzoeksgroep Kwantitatieve Lexicologie en Variatielinguïstiek – al geen idee hebben van de enorme omvang van de vertaalindustrie, dan geldt dat zeker voor het grote publiek. Het is de missie van Steurs om daar verandering in te brengen. Dat deed ze met haar afgelopen najaar verschenen boek Taal is business. Dat doet ze bij het hervormde Instituut voor de Nederlandse Taal, waar ze in september begon als directeur.

Door de globalisering bestond de vrees dat alles uniform zou worden. Het tegendeel is het geval.

De markt voor vertalingen is geëxplodeerd door de internationalisering van de maatschappij, legt de Vlaamse taalkundige uit. Met de samenwerking tussen staten, waren er steeds meer tolken en vertalers nodig om vertegenwoordigers met elkaar te kunnen laten praten en documenten om te zetten. Toen de Benelux, Duitsland, Frankrijk en Italië de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal (EGKS) vormden, waren er vier officiële talen: Nederlands, Duits, Frans en Italiaans. De huidige EU heeft 24 officiële talen.

Steurs: 'Door de globalisering bestond de vrees dat alles uniform zou worden. Winkelstraten in Rome, Parijs en Amsterdam zouden er allemaal precies hetzelfde uitzien en overal zou dezelfde taal worden gesproken. Het tegendeel is het geval. Ik heb nog meegemaakt dat in de jaren tachtig dBase III op de markt kwam. Dat database programma kon geen Franse accenten lezen of diakritische tekens in andere talen. Men dacht nog dat English only de toekomst was. Maar daar kwamen softwarebedrijven snel van terug.'

Elektronische hulpmiddelen

Het belang van vertalingen gaat verder dan de wens van consumenten om in hun eigen taal te worden aangesproken. Er is vaak ook een maatschappelijke noodzaak. In Taal is business geeft Steurs enkele pregnante voorbeelden. Denk aan Franse artsen die patiënten verkeerd opereerden omdat de handleiding van de gebruikte apparatuur alleen in het Engels beschikbaar was. En ouderen en gehandicapten kunnen alleen zelfstandig blijven wonen als ze hun elektronische hulpmiddelen in eigen taal kunnen bedienen.

Aanwezigen uit Polen reageerden jaloers. Waarom hebben wij dat niet?

'Voor grote bedrijven kunnen vertalingen een enorm probleem zijn', zegt Steurs. 'Een Japans automerk dat in Europa actief wil zijn, moet handleidingen hebben in alle talen, waarbij ieder land ook nog eens andere veiligheidseisen stelt. En welke versie moet het dan in bijvoorbeeld Zwitserland gebruiken? Dat kost niet alleen veel geld. Het is ook een ontzettende worsteling om dat goed te organiseren. Vanaf de productie tot de marketing moeten immers dezelfde termen worden gebruikt. Er zijn bedrijven die er bijna aan ten onder gaan.'

Geen Pools

Het spreekt bijna vanzelf dat bedrijven en instellingen vertalingen zo veel mogelijk willen standaardiseren en automatiseren. Tegelijk met de groei van de markt voor vertalingen is die voor taaltechnologie opgebloeid. En daar komt de nieuwe rol van het instituut in beeld. Want om ervoor te zorgen dat bedrijven en instellingen hun nieuwe toepassingen ook in het Nederlands beschikbaar stellen, moeten zij licenties kunnen nemen op corpussen Nederlands. Het Instituut voor de Nederlandse Taal wil ervoor zorgen dat a) die er zijn, en b) die up-to-date blijven.

Steurs vertelt een anekdote om het belang te onderstrepen. 'De spraakherkenningssoftware Dragon Naturally Speaking – de voortzetting van de Lernout & Hauspie-software, dat destijds al een prachtig product was – is mede door deze voorgeschiedenis ook beschikbaar in het Nederlands. Toen er bij de tolken- en vertalersopleiding in Antwerpen een demonstratie was, reageerden aanwezigen uit Polen jaloers. Waarom hebben wij dat niet? Wel, omdat de software niet gekoppeld kan worden aan een corpus van toch een van de grootste talen van Europa.'

Wetenschapscommunicatie

De naamsverandering van het Instituut voor de Nederlandse Lexicografie naar Instituut voor de Nederlandse Taal is ingegeven om alle mogelijke taalmaterialen onder één dak te brengen. De nieuwe huisstijl laat dat helder zien. Steurs: 'Corpuslinguïstiek is toonaangevend geworden. Woordenboeken kunnen algemene taal beschrijven, kindertaal, vaktaal, dialecten enzovoort, maar zijn allemaal gebaseerd op corpora. Door alles bij elkaar te brengen is het makkelijk nieuwe toepassingen te maken. Wij willen ook meehelpen aan de ontwikkeling ervan.'

Tegelijkertijd moeten de aanwezige collecties bekender worden.

De eerste taak van de nieuwe directeur is vanzelfsprekend het verzamelen van databanken en andere taalmaterialen. Van de grammatica van de Algemene Nederlandse Spraakkunst (ANS) en de materialen van de Centrale voor Taal- en Spraaktechnologie en de '22 prachtige' vertaalwoordenboeken die de Taalunie heeft uitgebracht – het komt allemaal naar het instituut op de campus van de Universiteit Leiden. 'Er zit nog genoeg in de pijplijn', zegt Steurs. 'Alleen al voor Vlaanderen, dat de afgelopen vijftien jaar misschien minder expliciet bediend is, zal het instituut veel zichtbaarder moeten worden.'

Tegelijkertijd moeten de aanwezige collecties bekender worden. 'Wij gaan meer doen aan wetenschapscommunicatie', zegt Steurs. Dat gebeurt met een nieuw deel in een reeks populariserende taalboekjes, deelname aan activiteiten als het DRONGO talenfestival en de Week van het Nederlands en nog veel meer. Zo zijn Steurs zelf en onderzoeker Vivien Waszink dit jaar lid geworden van het taalteam van het radioprogramma De ochtend. 'We werken ook aan een strategisch communicatieplan.'

Tien procent

Ook bedrijven zullen het Instituut voor de Nederlandse Taal makkelijker gaan vinden, voorspelt Steurs. Negentig procent van de licentieaanvragen is van onderzoekers en studenten. Zij kunnen vanzelfsprekend gratis gebruik maken van het materiaal. 'Onze eerste taak is en blijft dat wij materialen maken en ter beschikking stellen.' Maar vertaal- en lokalisatiebureaus, nu goed voor tien procent van de aanvragen, zullen ook vaker een licentie aanvragen – met als bijkomend voordeel dat het instituut commerciële tarieven kan rekenen. 'Wij gaan hen zeker vaker aanspreken.'