Editie juli 2017

 

Erik Vlaminck toog naar het land waar Brandlucht speelt: Canada.
Rubriek: 
Auteur: 
Erik Vlaminck

Dagboek van een gastschrijver

Erik Vlaminck toog naar het land waar Brandlucht speelt: Canada.

Erik Vlaminck geldt als een van de belangrijkste Vlaamse schrijvers van dit moment. Zijn roman Brandlucht (2011) werd juichend ontvangen en stond op de kandidatenlijsten voor de Libris- en AKO-literatuurprijzen. Ook verscheen er in 2015 een Engelse vertaling van. In het kader van het gastschrijverprogramma toog Vlaminck naar het land waar Brandlucht speelt: Canada. Hij hield een dagboek bij. Over oude mannen met tranen, emigreren en thuiskomen en schrijversgeluk. 

Op uitnodiging van CAANS (Canadian Association for the Advancement of the Netherlandic Studies), en met de steun van het Vlaams Fonds voor de Letteren en de Taalunie, mocht ik in mei 2017 een lezingentournee doorheen Canada maken. De vier eerste lezingen en optredens bouwde ik rond mijn roman Brandlucht, de Engelse vertaling ervan (Fire and Air), de gezinsverpleging in het Vlaamse stadje Geel (een decorflard uit voormelde roman). Ook bracht ik telkens een korte theatermonoloog over universele dakloosheid (uit De schande en de keerzijde).

Donderdag 11 mei

‘Je zal wel zien waar je terechtkomt.’ Dat zegt mijn gastvrouw in Montréal me wanneer we op weg zijn naar de plek waar ik mijn eerste optreden zal houden. Enfin, ik kom terecht onder het koepeldak van een stenen bonbonnière, een tempelachtig theatertje. Tussen voorraad, huisraad en boekenstapels komt de CAANS-groep uit Montréal elke maand samen in het iconische negentiende-eeuwse bankgebouwtje waar een van hun leden zijn thuis heeft gevonden. Ik krijg er een prachtig podium, een warm publiek, een lang en gedreven nagesprek. En wijn in overvloed. Goed begonnen is half gewonnen.

Maandag 15 mei

In Ottawa wordt mij een heel ander decor voor mijn lezing aangeboden: een ernstig universiteitslokaal. In de gauwte worden extra stoelen van allerlei stand en formaat aangevoerd want er is meer publiek dan verwacht. Zes Belgen bovendien, die ze bij CAANS nooit eerder hadden mogen verwelkomen. De aanwezigen zijn stil wanneer ze stil moeten zijn, maar ze stellen ook pertinente vragen en uiten doordachte meningen. Na het eindapplaus gaat dat nog door met het glas wijn in de hand. Bij CAANS-lezingen hoort wijn zoals beleg bij een boterham.

Als onvergetelijke surplus ontmoet ik hier een man die zestig jaar geleden naar Ottawa emigreerde nadat hij opgroeide in de Antwerpse buurt waar ik nu woon en die bovendien als kind zijn nieuwjaarsbrieven kwam voorlezen in het dorp waar ik ben opgegroeid en waar ik godbetert zijn doopmeter nog gekend heb. Het zorgt voor tranen bij een oude man.

Donderdag 18 mei

In Vancouver (wat is dit een prachtige stad!) is de afspraakplaats een soort buurthuis; inclusief doorzakzetels, vergadertafel en barhoek. Natuurlijk zet die setting aan tot woord en wederwoord. Het wordt een boeiend gesprek over emigreren en thuiskomen in een land waar je niet geboren bent, over psychiatrie, over heksenprocessen en bezetenheid, over de tussen-n die in de actuele spelling van het Nederlands volslagen wereldvreemd is. Zoals na alle lezingen van deze reis ga ik naar mijn slaapplek met veel denkstof.

Dinsdag 23 mei

In Calgary is het traditie dat het publiek voor de lezing vooraf verzamelt voor een copieus diner. Aan de tafel waar ik mag aanzitten wordt de discussie gevoerd of niet elk gesprek en geschrift per definitie fictie is. Ik voeg daar met plezier een lezing vol fictie aan toe. Blijkbaar wordt dat even goed gesmaakt als het lekkere eten. Dat heet dan schrijversgeluk.

Woensdag 24 mei

CHoMs (Calgary History of Medicine Society) is een genootschap dat verbonden is met de universiteit van Calgary. Zij hebben me gecharterd om een lezing te geven over The history of the family foster care in the city of Geel. Het is geen sinecure om voor dit gespecialiseerde gezelschap, bovendien in een taal die niet mijn moedertaal is, de eeuwenoude geschiedenis van de gezinsverpleging in Geel (en de huidige waarde van het model) te schetsen. Uit de reacties die ik achteraf krijg blijkt dat ik niet door de mand gevallen ben. Een opluchting.

Zondag 28 mei

De afsluitende lezing vindt plaats in de Ryerson Universiteit in Toronto. Ik ben er ‘keynote-speaker’ op een bijeenkomst van CAANS-nationaal. Titel van mijn lezing is: ‘Een school voor schrijvers, kan dat wel?’. Omdat ik tijdens de voorbereiding niet tevreden was over mijn betoog kies ik ervoor om gewoon les te geven zoals ik het jaren in Antwerpen aan de SchrijversAcademie deed. Over het onnut van het beschrijven van personages in een roman, over het belang van spreektaal in dialogen, over het verschil tussen proza in de tegenwoordige tijd en proza in de verleden tijd… Het blijkt te werken. Ik zal zonder veel ongemakkelijke gedachten de terugreis kunnen aanvatten.

Er nog bovenop: extra werven voor taal en letteren waren de geanimeerde gesprekken bij de etentjes die in elke voornoemde stad plaats vonden met het plaatselijke CAANS-bestuur. Ook tijdens een diner op uitnodiging van de Belgische ambassade in Ottawa (15 mei) en tijdens een receptie bij de Nederlandse consul-generaal in Toronto (26 mei) kwamen spreken en schrijven in de Lage Landen uitvoerig aan bod. Een studiogesprek bij CBC-radio (Calgary 22 mei) zorgde voor extra aandacht en promotie.

Met grote dank aan iedereen die dit mogelijk maakte!

Gastschrijverprogramma

Dankzij het gastschrijverprogramma kunnen afdelingen neerlandistiek buiten het Nederlandse taalgebied een gastschrijver ontvangen. Dat verrijkt het onderwijs Nederlands aan de afdeling die de aanvraag indient en maakt de Nederlandse literatuur in het buitenland zichtbaarder. Ook blijkt een buitenlands verblijf vaak inspirerend voor de auteur.

Het Nederlands Letterenfonds, het Vlaams Fonds voor de Letteren en de Taalunie maken dit programma financieel mogelijk.