Editie januari 2016

Rubriek: 
Auteur: 
Marc van Oostendorp
Foto: 
Ted van Lieshout

De taal en het sonnet zijn een tweeling

450 jaar geleden verscheen het eerste Nederlandstalige sonnet. Op Neder-L beschrijft Marc van Oostendorp de geschiedenis van het moderne Nederlands aan de hand van die sonnetten.

Midden in de zestiende eeuw kwam een internationale rage naar Nederland overwaaien: het schrijven van sonnetten. De populariteit van gedichten van veertien regels, meestal verdeeld in een blokje van acht en een van zes, had enkele eeuwen eerder postgevat onder Italiaanse renaissancedichters als Petrarca (1304-1374). Via Frankrijk bereikte het genre de Lage Landen, waar het allereerste sonnet dit jaar precies 450 jaar geleden verscheen. In 1565 publiceerde de Gentse schilder Lucas de Heere zijn gedicht ‘Alexander de groote, verwhider van al’ (‘Alexander de Grote, veroveraar van alles’).

Er zijn waarschijnlijk weinig talen waarin zó veel sonnetten zijn geschreven als het Nederlands.

Hiermee begon een lange traditie. Er zijn waarschijnlijk weinig talen waarin zó veel sonnetten zijn geschreven als het Nederlands. Hoewel er een paar inzinkingen waren – in de achttiende en de vroege negentiende eeuw, en na de Tweede Wereldoorlog – zijn dichters in onze taal sinds De Heere altijd sonnetten blijven voortbrengen. P.C. Hooft en Maria Tesselschade Roemer Visscher, Herman Gorter en Henriëtte Roland Holst, Gerrit Komrij en Christine D’haen: allemaal verpakten ze hun boodschap in de bekende veertien regels.

Rijke geschiedenis

Je kunt een geschiedenis van het moderne Nederlands schrijven aan de hand van die sonnetten, want onze taal is in zekere zin in dezelfde tijd ontstaan. De eerste sonnettendichters waren dezelfde mensen die van de dialecten een eenheidstaal smeedden. Uit die kringen kwamen ook de regels voor grammatica en spelling, die nu nog steeds van invloed zijn. Het idee dat wij in onze hoek van Europa ook sonnetten konden schrijven, sprak kennelijk dezelfde mensen aan die dachten dat wij van de volkstalen hier échte talen konden maken, met een liefst op de klassieke talen geïnspireerde grammatica. Er heerste een onder de elite van die tijd breed gedeeld ideaal: laten zien dat het Nederlands zich niet alleen met het Grieks en het Latijn kon meten, maar ook met de talen van de moderne cultuur, het Frans en het Italiaans.

Op het weblog voor neerlandici Neder-L schrijf ik sinds begin 2015 een serie berichten over dat gezamenlijk opgroeien van de moderne Nederlandse taal en het Nederlandse sonnet. Iedere week bespreek ik een sonnet uit de rijke geschiedenis; 196 gedichten wil ik zo uiteindelijk bespreken (14 x 14), en omdat ik aan het begin van dit jaar begonnen ben, heb ik nu ongeveer een kwart van de periode kunnen overzien.

Blakend

Die eerste eeuw was een mooie periode. Je ziet de blakende tweeling van het sonnet en de taal nog onschuldig kraaiend in hun gezamenlijke wiegje liggen. Het eerste sonnet van Lucas de Heere – een lofdicht op een weldoener voor de schilderkunst – was nogal onbeholpen van vorm. Het rijmschema klopte bijvoorbeeld niet (het gedicht bestaat eerder uit 9 + 5 dan uit 8 + 6 regels) en De Heere liet woonste op conste rijmen. Ook trok hij zich natuurlijk nog niet veel aan van de strenge grammaticaregels van het Nederlands – die zouden pas in de decennia erna verzonnen worden. Zo heeft hij het over naervolghing in plaats van over navolging: na en naar zouden pas later van elkaar gescheiden worden. Minder dan een halve eeuw later schreef P.C. Hooft (1581-1647) sonnetten die aan alle regelen van de kunst voldoen én geschreven zijn in een Nederlands dat lijkt op onze huidige taal. ('Mijn lief, mijn lief, mijn lief, zo sprak mijn lief me toe.') In vijftig jaar zie je de taal en het sonnet samen opgroeien. En dan hebben we nog vier eeuwen te gaan.

Aan de serie van Marc van Oostendorp over het Nederlandse sonnet wordt iedere zaterdag een aflevering toegevoegd.

Dit artikel verscheen eerder in het decembernummer van Onze Taal. De illustratie, Zeesonnet van Ted van Lieshout, is afkomstig uit Rond vierkant vierkant rond, Leopold 2015.

Marc van Oostendorp (1967) is senior onderzoeker op het Meertens Instituut en hoogleraar Fonologische Microvariatie aan de Universiteit Leiden. Hij schrijft over taal voor onder andere Onze Taal, NRC Handelsblad, Mare en Sargasso, hij schrijft onder meer columns voor Neder-L, het elektronisch tijdschrift voor neerlandistiek, en hij verzorgt een wekelijkse rubriek over taal op Radio Noord-Holland en is betrokken bij de nieuwsbrief Taalpost.