Editie april 2015

Joke van Leeuwen
Joke van Leeuwen
Rubriek: 
Auteur: 
Michiel Leen
Foto: 
Mieke Meesen

Joke van Leeuwen: ‘In een andere taal zou ik niet kunnen schrijven’

Dichteres, schrijfster en illustratrice Joke van Leeuwen mag zich sinds kort ‘Dichter der Nederlanden’ noemen. Dat is geen toeval: wie anders dan een echte Nederbelg – ze groeide op in Brussel – kent zo goed de gevoeligheden van Noord – en Zuid? Een gesprek over het Nederlands als bijna-wereldtaal, dichten in the public eye en het genot om zelf een taal uit te vinden.

Welke rol speelt het Nederlands voor u als schrijfster?

Het is mijn werkmateriaal, dus taal speelt een grote rol, maar wel een waar ik als schrijver en dichter soepel mee om kan gaan. De taal heb ik geleerd van mijn Nederlandse ouders, maar ik heb op Vlaamse scholen gezeten, ik woon al jaren in Antwerpen, en ik pik veel op. Ik heb het Vlaamse, het Hollandse en het Surinaamse Nederlands leren kennen en maak graag gebruik van dat brede palet. In een andere taal zou ik niet kunnen schrijven zoals ik in het Nederlands schrijf. Met het Nederlands kan ik spelen, dat kan ik niet zomaar in een andere taal. Het is mijn moedertaal, de taal waar ik de rijkste woordenschat in heb. Natuurlijk, wie in de Engelstalige wereld geboren wordt, heeft meteen een veel groter potentieel publiek. Ik ben hier geboren, en Nieuw Amsterdam is New York geworden. Dat is dan maar zo.

‘We moeten elkaar kunnen blijven verstaan. Daar moet je ook moeite voor willen doen’

Voelt u zich nog Nederlandse na al die tijd in België?

Ik ben iemand van twee culturen. Op mijn dertiende verhuisde ik naar Brussel en later studeerde ik in Antwerpen en Brussel. Ik herinner me dat het Frans enorm domineerde in Brussel, net als het FDF (nvdr: Fédéralistes Démocrates Francophones, Franstalige partij) . Het Nederlands in Brussel was een ondergeschoven kindje. Mijn moeder, die vertaalster was, kon zich erg opwinden over de slordige vertalingen naar het Nederlands. Bezochten we met de school een Nederlandstalige bibliotheek, dan stonden daar minder boeken dan wij thuis hadden. Maar dat is helemaal veranderd, vandaag. Ik vind het positief dat er in Vlaanderen een eigen norm ontstaan is, dat bepaalde woorden er gewoon mogen zijn. Voor het Surinaamse Nederlands geldt hetzelfde. Maar we moeten elkaar kunnen blijven verstaan. Daar moet je ook moeite voor willen doen. Als een Vlaming op de Nederlandse televisie perfect verstaanbaar Nederlands spreekt, moet je hem niet ondertitelen. Kijk, als ’t West-Vlaams is, kan ik me voorstellen dat een Fries dat niet verstaat. Maar algemeen Nederlands met een zuidelijk of noordelijk accent of woordenschat moet kunnen. We zijn toch één taalgebied?

Volgt u de vertalingen van uw eigen werk op?

Het is belangrijk dat een vertaler je werk goed kan hertalen. Ik volg de vertalingen voor zover ik het begrijpen kan. Soms grijp ik in. Bij een Spaanse vertaling merkte ik dat het helemaal mijn taal, mijn manier van schrijven niet meer was. Voor mijn kinderboek ‘Toen mijn vader een struik werd’ had ik voor het meisje Toda een eigen taal bedacht, die in de Duitse vertaling mooi is vertaald.

Een fijn spelletje toch, een taal bedenken?

Toda vlucht en komt in een ander land. Ze begrijpt de dingen net niet, of net wel. Dat gevoel wilde ik via de taal vorm geven. En zo’n eigen taaltje geeft iets lichtvoetigs aan zo’n zwaar verhaal. Elk gezin heeft zo zijn taaleigenaardigheden. Die spielerei met taal is niet zo moeilijk.

'Meisjesboeken vond ik maar niks.' 

Schreef u als kind al?

Al op de lagere school wilde ik schrijven en tekenen, ik wist alleen niet hoe. Schrijvers kende ik niet, er was nog geen internet, dus ik heb me weleens zorgen gemaakt van ‘Hoe moet dat nu eigenlijk?’ Ik heb het wel altijd gewild. Ik maakte echte boekjes, met de naam van een fictieve uitgeverij op de achterflap. Altijd spannende avonturen. Meisjesboeken vond ik maar niks. Na de academie ben ik naar uitgevers gestapt. Vaak met een kluitje in het riet gestuurd, maar zo begon het.

U bent nu Dichter der Nederlanden en u was enkele jaren geleden stadsdichter van Antwerpen. Dichten in the public eye, is dat evident?

Je moet het op je eigen manier doen. De thema’s komen voort uit die positie, maar kies ik daarbinnen wel zelf. Toen ik stadsdichter was, schreef ik dat gelegenheidspoëzie ook poëzie is die mensen de kans geeft om hun bezigheden terug te vinden in een gedicht. Ik zal nu gebruik maken van mijn positie als iemand die beide zijden van de grens kent. Je moet natuurlijk niet denken dat je voor honderdduizenden of miljoenen mensen spreekt. Ik heb gevarieerde invalshoeken gekozen, ik heb geschreven voor mensen zonder papieren, voor beginnende Antwerpenaren…

Hoe vult u de nieuwe opdracht in?

De eerste gedichten zijn klaar. Eentje is geïnspireerd door het feit dat Willem I zich in maart 1815 tot koning uitriep. Het tweede gedicht is persoonlijker. Ik wil ook nog een gedicht schrijven over de nuanceverschillen in de taal. Ik ga me niet wagen op het werkterrein van mijn collega’s, de Vlaamse dichter des vaderlands Charles Ducal, of de Nederlandse Anne Vegter.

'Dichter der Nederlanden is de unieke kans om iets te doen met mijn bijzondere positie als Nederbelg.'

Ergens is het toch vreemd dat er zo’n luisterrijk jubileum wordt gehouden voor een koninkrijk dat in die vorm maar 15 jaar heeft standgehouden. (*)

Daar gaat mijn eerste gedicht ook over. Maar mijn redenen om het aan te nemen hebben meer met het heden dan met het verleden te maken, en met de unieke kans om iets te doen met mijn bijzondere positie als Nederbelg. In dat opzicht kan ik een ander verhaal vertellen dan monoculturele mensen.

Er was meteen commotie na de aankondiging. Ilja L. Pfeijffer noemde het ANV, de inrichtende organisatie, ‘facistoïde’?

Ilja Pfeijffer heeft de klok horen luiden, maar heeft niet geweten waar de klepel hangt. Het Algemeen-Nederlands Verbond is vooral een organisatie die Nederland en Vlaanderen dichter bij elkaar wil brengen. Ze reiken al jaren de Visser-Neerlandiaprijs uit, aan mensen die zich zeker niet voor een karretje laten spannen. En dat laat ik zelf ook niet gebeuren. Ik weet meer dan hij over dit land, na hier een halve eeuw te hebben gewoond. Wat Pfeijffer schreef was zonder meer beledigend. Ik moest er een hele week op reageren, tot enkele prominente Vlamingen in NRC verklaarden dat zijn aantijgingen kwatsj waren. En toen begon hij opnieuw. Maar ja, ik heb gewoon verder geschreven aan mijn roman hoor.

Dankzij de AKO Literatuurprijs voor uw boek ‘Feest van het begin’ was u ook genomineerd voor de Inktaap. Wachtte u de uitslag in spanning af?

Ik hou me er niet zo mee bezig. Als je dan wint, denk je ‘oh fijn,’ maar zenuwen heb ik niet. Ook niet in het begin. Mijn eerste prijzen, een Gouden Penseel en een Zilveren Griffel, bezorgden me naamsbekendheid. Daarvoor wist geen kip waarmee ik bezig was. Het is ook goed voor de winkel. Maar je moet een geestelijke afstand behouden. De kern van je werk zit niet daar. De uitslag is intussen bekend. Pfeiffer en ik gingen gelijk op, en hij won. Het is hem zeer gegund.

Tot slot: wat is het mooiste woord in de Nederlandse taal?

Daar moet ik toch even over nadenken. Een paar lelijke woorden weet ik wel te verzinnen (lacht). Dageraad. Je hoort met die open a’s de dag opengaan.

__________

(*) De Dichter der Nederlanden is een initiatief van het Algemeen-Nederlands Verbond (ANV). Zo wil het ANV bijdragen aan de herdenking van 200 jaar Verenigd Koninkrijk der Nederlanden. Van 1815 tot 1830 waren de Noordelijke en Zuidelijke Nederlanden onder Willem I in een koninkrijk verenigd.

 

Joke van Leeuwen

Joke van Leeuwen (Den Haag, 1952) studeerde in Antwerpen en Brussel grafische technieken aan de kunstacademie en geschiedenis aan de universiteit van Brussel. In 1978 publiceerde ze haar eerste kinderboek en won ze op het Camerettenfestival alle prijzen. Van Leeuwen is veelzijdig: ze schrijft poëzie en proza voor kinderen en volwassenen, ze is illustrator, maakt theaterprogramma's en treedt op als performer.

Haar werk werd gelauwerd met diverse prijzen, o.m. de Theo Thijssenprijs, De Woutertje Pieterse prijs, en de Gouden Ganzenveer. In 2012 ontving ze de Constantijn Huygensprijs voor haar volledige oeuvre.

Voor Feest van het begin (2012) ontving zijn De AKO Literatuurprijs 2013. Dit leverde haar direct een nominatie voor De Inktaap 2015 op.