Editie mei 2015

Maya en Mizja
Maya en Mizja
Rubriek: 
Auteur: 
Dorien Vrieling

Gij of jij? Twee talen op één kussen

Liefde over de grens: je spreekt allebei Nederlands, en toch zeg je de dingen anders. Welke invloed hebben taalverschillen op je relatie? Twee Vlaams-Nederlandse stellen en een Nederlands-Antilliaans stel vertellen. Over wennen aan ‘je’ en ‘jij’, het directe van Hollanders en verwarring over koffietijd.

Maya Rispens is afdelingshoofd Taalgebruik bij de Nederlandse Taalunie, Mizja Haak is grafisch intermediair. Ze zijn vijftien jaar samen en wonen in Den Haag. Maya komt oorspronkelijk uit Gent.

Ooit waren ze voor het eerst samen aan het klussen, toen zij hem vroeg om een vijs. Hij gaf haar een waterpomptang. ‘Nee, een vijs!’ Ze kreeg een combinatietang. Mizja: “Ik had geen idee.” Maya: “Ik ging steeds harder praten. Een VIJS! Ik dacht echt dat dat Standaardnederlands was. Achteraf snap ik het, vijs komt uit het Frans, van tournevis, schroevendraaier.” [vijs is dus schroef, nvdr]. Mizja: “Ik vraag haar nog wel eens, als ik naar de winkel ga: heb je nog vijzen nodig?”

“Nog steeds voelt het artificieel om ‘je’ en ‘jij’ te zeggen”

In Gent was Maya gewend om tussentaal te spreken: een soort middenweg tussen de standaardtaal en dialect. Ze moest best wennen aan het Nederlands dat in Den Haag gesproken wordt. “Nog steeds voelt het voor mij artificieel om ‘je’ en ‘jij’ te zeggen. De natuurlijke aanspreekvorm blijft voor mij ‘ge’. En voor mij is ‘u’ joviaal. Maar als ik mensen al een beetje ken en ‘u’ tegen ze zeg, zeggen ze verschrikt: je mag wel ‘je’ zeggen, hoor!”

De eerste ontmoetingen met elkaars familie en vrienden waren een bron van vermaak. Maya’s familie ging ‘Hollands’ praten als Mizja er was. Maya: “Je merkte dat er aan weerskanten ideeën over de ander bestaan. Dan zei iemand: ‘Ja, die Hollanders, die willen dat wij praten zoals zij.’ Maar het kan de Hollanders helemaal niet schelen hoe wij praten!” Mizja: “Nederlanders gaan veel nonchalanter om met de taal.” Mizja’s vrienden vonden Maya door haar manier van praten schattig. Maya: “Het heeft echt even geduurd voor dat beeld doorgeprikt was.”

De grootste verschillen tussen haar Nederlands en het zijne zitten niet zozeer in de woorden, maar in de manier van spreken. Mizja: “Ik werk veel met Vlamingen en leg haar regelmatig een mail voor: ‘Lees dit eens, wat bedoelt hij nu?’ Vlamingen draaien vaak om de hete brij heen. Soms zegt ze dan: ‘Dit moet je anders opschrijven, anders willen ze nooit meer met je werken’. Ik ben veel directer.” Maya: “Jij hebt beter leren luisteren. En ik heb leren schelden als een Hagenees.” Ze lacht. “Al komt ‘ut zal mèn amme reit roestuh’ er nog altijd moeilijk uit.”

De Nederlandse Nelske Verbaas is redacteur bij het hoofdkantoor van de Nederlandse Adventkerk, en Ivan Mercalina, geboren op Curaçao, is information security consultant. Ze zijn samen sinds 2008 en wonen in Den Haag.

Hij zei het al toen ze nog maar net samen waren: ‘Ik hou van jou.’ Nelske: “Wauw, dacht ik. Nu al? Bedremmeld antwoordde ik: ‘Ik vind jou ook heel leuk.’” Ze lacht. “En dat vond jij weer heftig he?” Ivan: “Voor mij is ‘ik hou van jou’ heel gewoon, ik kan het ook tegen vrienden zeggen. Wat het betekent hangt af van de context. Ik bedoelde gewoon: ik zie je graag.”

Ivan strooit met troetelwoordjes, en niet alleen bij Nelske. “We waren nog maar kort bij elkaar toen hij jarig was. Aan de telefoon was het bij iedereen: ‘hoi schatje’, ‘hee dushi’. Daar moest ik wel aan wennen.” Ivan: “Op Curaçao is het heel gewoon dat je elkaar zo noemt. Het is soms misschien een beetje flirterig, maar ik noem mijn zoontje ook zo. En als een oudere dame mij vraagt om haar even te helpen met haar tassen, zegt ze: ‘Dushi, help me even.’ Behalve een koosnaampje is het ook een soort beleefdheidsvorm, bijvoorbeeld als je iemand wilt verleiden iets voor je te doen.”

“Voor mij is ‘ik hou van jou’ zeggen heel gewoon”

Als kind woonde Ivan al een paar jaar in Nederland, op zijn negentiende trok hij definitief weg uit Curaçao. Nederlands is zijn eerste taal, Papiamento komt daarna. “Antillianen hebben de naam om veel taalfouten te maken,” zegt hij, “dat valt bij mij wel mee. Al heeft Nelske me in het begin vaak gecorrigeerd, vooral bij spreekwoorden en gezegden. Raakt iets nou kant noch wal, of wal noch kant? Inmiddels verbeter ik haar steeds vaker, want zij heeft het ook niet altijd bij het rechte eind.”

Nelske volgde recent een cursus Papiamento. “Ik hoopte dat ik de humor nu zou leren begrijpen, want soms hoor je iemand gieren van het lachen en heb ik geen idee wat de grap is.” Niet zo gek, vindt Ivan, het gaat vaak om subtiliteiten in de taal. “Door iets te herhalen of een klemtoon verkeerd te leggen, wordt het grappig.” Ach, samen lachen ze weer om andere dingen. Zo kan zij hem goed nadoen. Nelske: “Hij heeft van die stopwoordjes. ‘Aiaiai’, of ‘esta baina’ - ‘het is me wat’.”

Marc Reugebrink is schrijver, Hanna Hertmans is leerkracht Latijn op een middelbare school. Ze zijn zeventien jaar samen en wonen in Gent. Marc komt oorspronkelijk uit Twente.

Op een middag keken ze tennis. Kim Clijsters speelde. Marc: “Ik zat me op te winden, je kent dat wel. Schreeuwen naar de televisie. Ze speelde zo slecht!” Licht beschaamd: “Ik geloof dat ik ‘kutwijf’ naar haar heb geroepen.” Hanna: “En ik zei, toe, je hoeft toch niet te schreeuwen. Ze krijgt gewoon een slechte bal.” Marc, liefdevol: “Zo is Hanna. Zij ziet altijd de andere kant.” Het moment typeert het verschil tussen Vlamingen en Nederlanders, zegt hij. “Soms denk ik: zeg nu gewoon wat je ervan vindt!”

Marc woont alweer jaren in Gent, maar er zijn zaken waar hij nog altijd niet aan kan wennen. De Vlaamse omgang met tijd, bijvoorbeeld. “Dan wenst iemand je een goedenavond om vier uur ’s middags. Hoezo, het is toch middag?” Hanna: “Nee, je wenst iemand een goede avond toe, want die moet nog komen.” ‘Koffietijd’ was ook een verwarrend begrip. Hanna: “Zijn moeder vroeg ons eens om langs te komen voor de koffie. Oké, een uur of drie dus, dacht ik, maar ze bedoelde half elf ’s ochtends.”

“Als jij ‘ge’ en ‘gij’ zegt, klinkt dat soms toch nog gek”

Aanvankelijk paste Hanna haar taal wat aan Marc aan, zegt ze. “Onbewust, gewoon om ervoor te zorgen dat ik begrijpelijk sprak. Maar dat was helemaal niet nodig, dus in de loop van de tijd ben ik weer meer Vlaamse uitdrukkingen gaan gebruiken. Het is zonde om je woordenschat niet te benutten.” Omgekeerd werd Marcs Nederlands steeds Vlaamser: “Soms zeggen vrienden uit Nederland: ‘Wat zit je je aan te stellen met dat accent’. Maar dat is vanzelf gegaan.” Soms valt het Hanna nog op, als haar man iets typisch Vlaams zegt: “Als jij ‘ge’ en ‘gij’ gebruikt, klinkt dat soms toch nog gek.” Hij, geamuseerd: “Ah, dat vertel je me nu.”

Maar hij weet het best: nog steeds hoort elke Vlaming feilloos dat hij niet uit België komt. “Ik blijf de Hollander.” Als Twent, die lange tijd in Groningen woonde, kende hij de weerzin in ‘de provincie’ tegen de Randstad. “Ik hield er rekening mee dat Vlamingen zich zo tot Nederlanders zouden verhouden.” Maar wat hij in Gent soms tegenkomt is anders. Hanna noemt het ‘Hollanderhaat’: “Vlamingen vinden Nederlanders vaak arrogant, en ze vinden dat jullie je op de voorgrond dringen.” Marc: “Uiteindelijk moest ik erkennen dat ik meer Nederlander ben dan ik zelf dacht.”