Editie juni 2015

Beeld u
Beeld u
Rubriek: 
Auteur: 
Ludo Permentier

U verdwijnt nog niet zo gauw

Mag ik een van mijn leerlingen een briefje meegeven voor de ouders met daarin de vraag: ‘Kan ik jullie even spreken?’ Is het gepast in een advertentie klanten aan te spreken met de slogan: ‘Win de vakantie van je leven?’ Of moet dat nog altijd met het ouderwetse en afstandelijke en uw?

Die vraag drijft taalkundigen tot wanhoop. In zijn boek De geschiedenis der Nederlandsche Taal (1890) liet Jacob Verdam zich al deze hartenkreet ontvallen: ‘Wat moet een taal beginnen, waarin men in verlegenheid zit, hoe iemand aan te spreken?’ Als taal niet de woorden biedt om op een gepaste manier contact te leggen met anderen, waar dient ze dan voor?

In theorie is het eenvoudig. U is de beleefdheidsvorm – die is gepast als je meneer of mevrouw zegt; jij is de vertrouwelijke vorm – die past bij het gebruik van de voornaam; gij is de vorm van de gemoedelijke omgangstaal in het zuiden van het taalgebied. Maar de praktijk is veel ingewikkelder.

Drie dimensies

Dat komt doordat het verschil tussen u en jij minder met beleefdheid te maken heeft dan met andere elementen in het gesprek. Onderzoekster Hanny Vermaas heeft aangetoond dat de keuze bepaald wordt door drie dimensies: status, solidariteit en formaliteit.

In een gesprek tussen een jongere en een oudere, of een personeelslid en de directeur, zal de ‘lagere’ spontaan u zeggen en de ‘hogere’ jij. Dat is wat traditioneel beleefdheid werd genoemd, tegenwoordig status. Maar er spelen ook twee andere factoren mee. De eerste is de solidariteit. Als die hoog is, bijvoorbeeld tussen twee politici van verschillende partijen die samen een koffie drinken voor ze aan een debat beginnen, dan zullen ze de vertrouwelijke vorm jij kiezen. De solidariteit wordt een stuk minder als ze eenmaal in het debat zitten. Dan gebruiken ze ongetwijfeld u. De formaliteit, ten slotte, is de omstandigheid waarbinnen het contact verloopt. In een brief zijn we eerder geneigd u te schrijven dan in een mailtje of een tweet. Als er publiek bij het gesprek zit, zal het ook vormelijker verlopen.

U en jij betekenen dus hetzelfde (‘de persoon tot wie ik me nu richt’), maar ze zijn verschillend geladen. Er zitten maatschappelijke conventies aan vast, cultuur en communicatieve doelstellingen.

U sterft uit

Wat het ook niet eenvoudiger maakt: jongeren leggen de norm op een andere plaats dan ouderen. Net zoals ze moesten leren met twee woorden te spreken (‘Ja, mevrouw.’ ‘Alstublieft, tante.’) leerden kinderen vroeger hun ouders aan te spreken met u. Dat is snel aan het veranderen. Hanny Vermaas vroeg aan 1500 Nederlanders hoe ze hun ouders aanspraken. Bijna driekwart van de ‘oudere generatie’ zei u tegen hun ouders; bij de ‘middengeneratie’ was dat nog zestig procent; van de jongeren minder dan twintig procent. U sterft dus uit in het gezin.

Maar of de beleefdheidsvorm overal zal verdwijnen is nog maar de vraag. Daarvoor moeten we even kijken naar de ingewikkelde geschiedenis van het persoonlijk voornaamwoord in het Nederlands.

Respect

In het vroegste Nederlands, voor de 10de eeuw, bestonden er maar twee vormen voor de tweede persoon: du voor het enkelvoud en ghi voor het meervoud. Met de opkomst van de middeleeuwse hoofse cultuur vond men het nodig ontzag te kunnen uitdrukken als men iemand aansprak. Dat gebeurde met de meervoudsvorm ghi. Als gevolg daarvan werd du hoe langer hoe meer als respectloos beschouwd en het verdween, behalve in het oosten van het taalgebied. Intussen was er wel een leemte ontstaan in het systeem van de persoonlijke voornaamwoorden, want er was geen meervoudsvorm meer. Die leende men bij de naamval voor het lijdend en meewerkend voorwerp. De vorm u werd de nieuwe vorm voor het meervoud.

Vreemd genoeg is hetzelfde een tweede keer gebeurd, toen de vorm ghi plaats moest ruimen – alweer op één deel van het taalgebied na, deze keer het zuiden. Uwe edelheid, later ingekort tot u, werd vanaf de negentiende eeuw de nieuwe beleefdheidsvorm, deze keer voor het enkelvoud (en het meervoud). En intussen was de Hollandse variant van ghi aan een opmars bezig in de vorm jij.

Conclusie: in de loop van de geschiedenis was er dus meer behoefte aan een beleefdheidsvorm dan aan een meervoudsvorm.

De Belgische ge en u

In (informeel) Belgisch-Nederlands is de oude vorm gij levend gebleven, vooral in de verzwakte vorm ge. De niet-onderwerpsvorm die daarbij hoort, is u (‘Hoe is ‘t met u?’) en het bezittelijk voornaamwoord is uw (‘Hebt ge uw boek gevonden?’). Vandaar ook de slogan van de Federale Overheidsdienst Economie: ‘Bezint voor ge u bindt!’ (nvdr: in een campagne rond telecomabonnementen). Doorgaans worden deze vormen overigens niet gebruikt in geschreven taal.

Dat Belgen zelfs u zeggen tegen baby’s, is trouwens een fabel. Wel zeggen ze ge en daarom gebruiken ze uw als bezittelijk voornaamwoord. Maar dat heeft niets met de beleefdheidsvorm te maken: ‘Hier is uw beertje en zwijgt nu.’

Weg met de stropdas

De vraag blijft of u de weg-met-de-stropdascultuur overleeft. Sinds het eind van de vorige eeuw is de hele samenleving geïnformaliseerd. We gaan op een andere manier om met elkaar. We zeggen geen ‘alstublieft meneer of mevrouw’ meer, en we gebruiken vaker de voornaam. Er is minder respect voor gezagsdragers, er ligt meer nadruk op gelijkheid. Sommigen zullen zeggen dat er meer nonchalance heerst. Tegelijk is ook onze communicatie erg veranderd. We schrijven geen brieven meer, zelfs het e-mailtje is achterhaald. We schrijven snelle tweets waar het minder van tel is hóé je het zegt dan wát je zegt – en vooral: dát je iets zegt. Dat pleit allemaal niet voor het afstandelijke u.

Toch zijn er ook veel mensen die zich ergeren aan het oprukken van jij in zakelijke contacten, in overheidscommunicatie, in reclame. Ze vragen zich af wat er mis is met afstand houden en waarom gesprekken bij voorkeur informeel zijn. Een sterk voorbeeld zijn de opsporingsberichten bij de publieke omroep in Vlaanderen. Tot ongeveer een jaar geleden waren die in de jij-vorm (‘Heb je meer informatie…’), maar tegenwoordig is de u-vorm terug.

Ook in kranten blijft de oude regel van kracht. Het Stijlboek van de NRC schrijft nog altijd deze regel voor: ‘Bij een vraaggesprek spreken wij de geïnterviewde met u aan, tenzij niet-tutoyeren raar zou zijn, zoals bij een jong iemand, in de sport of als het absoluut duidelijk is dat ondervrager en ondervraagde elkaar intiem kennen.’