Editie december 2017

 

Het Nederlands in Vlaanderen heeft vele gezichten.
Rubriek: 
Auteur: 
Ludo Permentier

Vier misverstanden over het Nederlands in Vlaanderen

Het Nederlands in Vlaanderen heeft vele gezichten.

Veel hoeft er niet te gebeuren om in Vlaanderen een bits debat over taal te ontketenen. Een verspreking, een grove tweet of een flater in een advertentie volstaat soms. Taalkundigen halen meestal hun schouders op als in de sociale media verwijten worden gelanceerd over taalnazisme of gebrekkig onderwijs. Dikwijls speelt in die discussies immers meer emotie dan kennis van zaken. Om het debat zinvoller te maken, schreven achttien wetenschappers het boek ‘De vele gezichten van het Nederlands in Vlaanderen’. Wij lichten er vier hardnekkige misverstanden uit voor u.

1. Vlaanderen spreekt Vlaams

Ja en nee. Het Nederlands is, naast het Frans en het Duits, een officiële taal in België. Dat staat zo in de grondwet. De Vlaamse overheid heeft daarbovenop in decreten vastgelegd waar het gebruikt moet worden. Belangrijk is dat die decreten spreken van ‘de Nederlandse taal’, niet bijvoorbeeld van ‘het Vlaams’. Die laatste term is wel van toepassing als het gaat om de bestuurlijke indeling. We spreken bijvoorbeeld van ‘de Vlaamse Gemeenschap’ of ‘het Vlaams Parlement’. Maar als het om taal gaat, benadrukt de terminologie de eenheid met Nederland.

 ‘Hét Nederlands’ bestaat niet.

Tegelijk zeggen de deskundigen dat ‘hét Nederlands’ niet bestaat. Er is geen afgesloten verzameling woorden, grammaticale regels en uitspraaknormen voor heel het taalgebied. Vlamingen horen bij het eerste woord wanneer een Nederlander of Surinamer aan het spreken is, en dat geldt ook in de andere richtingen. Er is dus variatie. Het Nederlands dat je in Vlaanderen en in Brussel hoort, wordt doorgaans Belgisch-Nederlands genoemd. In de omgang hoor je hiervoor ook weleens het woord ‘Vlaams’, maar meestal wordt daarmee een dialect bedoeld, of de informele gesproken ‘tussentaal’, die je wel binnen gezinnen of onder vrienden hoort, maar niet in het tv-journaal of in de kerk. (zie de punten 3 en 4)

2. De gemiddelde Vlaming is te lui om taalnormen te volgen

Een samenleving kan alleen bestaan als mensen bereid zijn normen te volgen. Dat zijn de (ongeschreven) regels die het sociale verkeer in goede banen leiden. Dat je je tegenover vreemden anders gedraagt dan tegenover je partner, je familie of je baas, leer je van voorbeelden die je imiteert.

Ook taal kent normen. Ze maken het mogelijk te communiceren met anderen. Een overtreding van deze normen zal in gesprekken zelden tot misverstanden leiden, omdat de gesprekspartners gauw signalen opvangen dat ze elkaar niet begrijpen. In geschriften is dat anders en daarom is geschreven standaardtaal strikter genormeerd. Zoals andere sociale normen, ontstaan de normen van het Standaardnederlands vanzelf. Mensen imiteren de taal van anderen die ze waarderen, bijvoorbeeld leraren, schrijvers, televisiemensen. Ook de traditie speelt hierin een rol. Alleen de spelling wordt door de Taalunie vastgelegd.

Het geschreven Nederlands van Vlaanderen ging tot het eind van de twintigste eeuw steeds meer op dat van Nederland lijken, maar ging daarna de andere kant uit. 

Tot het eind van de twintigste eeuw zagen Vlamingen, aangespoord door onder meer het onderwijs en de openbare omroep, het Nederlands van hoogopgeleide Nederlanders als norm. Maar het proces van standaardisering heeft niet geleid tot volkomen eenheid. Onderzoek wijst uit dat het geschreven Nederlands van Vlaanderen tot het eind van de twintigste eeuw steeds meer op dat van Nederland ging lijken, maar daarna de andere kant uitging. Dat heeft niets met luiheid of onkunde te maken.

3. Belgisch-Nederlands is slecht Nederlands

Lange tijd was het streven naar één cultuurtaal voor Nederland en Vlaanderen een cultuurpolitieke kwestie. Vlaanderen wilde, onder meer om weerstand te bieden aan de invloed van het Frans, samen met Nederland een stevig blok vormen. Veel verdedigers van het oude principe dat de taalnorm in het Noorden werd gevormd, deden dat uit die overweging.

De voorbije decennia zijn de meeste Vlamingen zich gaan richten op andere rolmodellen: vooraanstaande Vlaamse sprekers en schrijvers. Belgisch-Nederlandse eigenaardigheden vinden ze sindsdien niet meer zo erg.

Intussen heeft de toegenomen mobiliteit het pad geëffend voor een eigen Vlaamse spreektaal.

Factoren zoals de groeiende politieke autonomie van Vlaanderen, de commercialisering van de omroep en het verminderde contact met Nederlandse media hebben Vlamingen meer vertrouwen gegeven in hun eigen taalvariëteit. Ze zijn minder bereid hun zelfbeeld op te hangen aan een dominante identiteit, en al helemaal geen waar ze weinig contact mee hebben. Woordenboeken hebben zich daaraan aangepast: ze nemen woorden op die algemeen zijn in België, zonder die als foutief te bestempelen. Die behoren dus tot het Nederlands, net zoals woorden die alleen in Nederland of in Suriname in gebruik zijn.

De standaarduitspraak van Nederlanders en Vlamingen is intussen de hele tijd langzaam uit elkaar gegroeid. Dat heeft meer te maken met uitspraakveranderingen in Nederland dan in Vlaanderen. Intussen heeft de toegenomen mobiliteit het pad geëffend voor een eigen Vlaamse spreektaal: een vooral door Brabantse kenmerken getekende Vlaamse tussentaal (tussen dialect en standaard). Een aparte taal is het niet en het is lang niet zeker of het ooit zover komt. Ook wie de tussentaal spreekt heeft immers de standaardtaal nodig om te schrijven.

4. Martine Tanghe is de norm

In het laatste hoofdstuk van het boek kijken drie auteurs naar de gevolgen van dat alles voor het taalonderwijs. Haast een halve eeuw heeft men geprobeerd de Vlaming formeel Algemeen Beschaafd Nederlands (ABN) aan te leren als enige vorm van het Nederlands. Dat heeft niet geleid tot een enthousiast gebruik van die variëteit. De norm laten bepalen door Nederland, is onhoudbaar gebleken. En nu blijkt het journaal-Nederlands van Martine Tanghe ook niet haalbaar te zijn voor de meeste leerlingen en studenten. Veel hoogopgeleide jonge Vlamingen willen het gewoonweg niet meer spreken omdat ze beseffen dat ze hun Nederlands gebruiken in een heel andere context dan het tv-journaal.

Er bestaan geen ‘slechte’ soorten Nederlands, al spreekt het vanzelf dat niet elke soort in elke situatie gepast is.

Volgens de auteurs moet het onderwijs niet langer proberen een onhaalbaar ideaal na te streven, maar vertrekken vanuit de taalrealiteit. Ze volgen de Taalunie daarin, die al in 2003 waarschuwde voor taalnormen die louter van boven werden opgelegd en pleitte voor verdraagzaamheid tegenover niet-standaardtalige varianten en variëteiten.

Er bestaan geen ‘slechte’ soorten Nederlands, al spreekt het vanzelf dat niet elke soort in elke situatie gepast is. Het belangrijkste is dat leerlingen zich daarvan bewust zijn en variatie weten in te zetten om kleur en persoonlijkheid aan te brengen in hun taalgebruik. En misschien nog het interessantste op de lange termijn: dat ze trots zijn op hun taal.

Gert De Sutter (red.): De vele gezichten van het Nederlands in Vlaanderen. Een inleiding tot de variatietaalkunde. Uitgever: Acco Leuven/Den Haag, 360 blz., € 32,-. Bekijk website.