Editie mei 2017

 

'Vertaalster springt niet zo keurig om met persoonlijk voornaamwoord'
Rubriek: 

Hem of haar?

'Vertaalster springt niet zo keurig om met persoonlijk voornaamwoord'

De Taalunie ontvangt regelmatig vragen over het Nederlands. In Taalunie:Bericht lichten we er telkens één uit. Deze keer een vraag over het persoonlijk voornaamwoord bij verwijzingen naar vrouwelijke zelfstandige naamwoorden.

Van: Roger Oeyen, afkomstig uit Deurne in België.

De vraag: Zijn het woordenboek van de Nederlandse taal en de spraakkunst geen norm meer als met een persoonlijk voornaamwoord wordt verwezen naar een vrouwelijk zelfstandig naamwoord?

Waarom? Tijdens het lezen van de thriller Slapeloos van Barbara Voors, uit het Zweeds vertaald door Janny Middelbeek-Oortgiesen, viel het hem op dat de vertaalster ‘niet zo keurig omsprong met het juiste gebruik van het persoonlijk voornaamwoord (derde persoon)’. De vertaalster houdt weinig rekening met het geslacht van het zelfstandig naamwoord waarnaar wordt verwezen. Bijvoorbeeld: ‘de krant, de manier waarop hij hem plagerig vasthoudt’ (krant is vrouwelijk) en ‘mijn hand hangt zo mistroostig, de manier waarop hij hem in zijn eigen handen neemt' (ook hand is vrouwelijk). 

Antwoord

In Nederland en met name in de Randstad is iets aan de hand is met de geslachten van naamwoorden. Zo worden Nederlandse woorden die van oudsher vrouwelijk zijn, daar niet altijd meer als zodanig herkend. Daardoor wordt naar die woorden soms (terug)verwezen met het mannelijke voornaamwoord in plaats van het vrouwelijke. De Leidse taalkundige Jenny Audring heeft daar onderzoek naar gedaan, waarover in Taalunie:Bericht eerder een artikel is verschenen. 

In het Standaardnederlands zijn nog maar weinig signalerende elementen aanwezig waarmee de geslachten van naamwoorden meteen duidelijk worden. In de dialecten is dat nog meer het geval, bijvoorbeeld door het gebruik van verschillende lidwoorden (‘nen’ voor mannelijk versus ‘een’ voor vrouwelijk). Omdat de dialecten buiten de Randstad en in Vlaanderen nog sterker staan, weten niet-Randstedelingen en Vlamingen vaker wel nog wat de oorspronkelijke geslachten van naamwoorden zijn, ook in het Standaardnederlands. Voor hen kan het nieuwe Randstedelijke gebruik dan ook als vreemd overkomen en mogelijk zelfs als storend worden ervaren.

Het is niet aan de Taalunie om in deze evolutie in te grijpen. Op het vlak van de woordgeslachten en grammatica beschrijft en ontsluit de Taalunie enkel de normen van de standaardtaal zoals die zich binnen de taalgemeenschap vormen. Als deze normen veranderen, dan zal de Taalunie daarin dus volgen, al gebeurt dat steeds geleidelijk en met de nodige omzichtigheid. Op dit moment draagt de Taalunie nog steeds de oorspronkelijke woordgeslachten uit, ook al zijn die dus in een bijzonder invloedrijk deel van het taalgebied als de Randstad in volle beweging.