Editie december 2016

 

Theetijd, schilderij van Jan Josef Horemans II uit de 18e eeuw
Rubriek: 
Auteur: 
Michiel Leen

Literair braakland van 18e eeuw ontgonnen

Theetijd, schilderij van Jan Josef Horemans II uit de 18e eeuw

Niet de spannendste periode uit de vaderlandse letteren, maar wel een cruciaal scharniermoment in de culturele en politieke geschiedenis van de Zuidelijke Nederlanden. Historicus Tom Verschaffel beschreef de literatuur van de Zuidelijke Nederlanden in de 18e eeuw, als onderdeel van de monumentale reeks Geschiedenis van de Nederlandse literatuur. De weg naar het binnenland verschijnt deze maand.

De literatuur van de Zuidelijke Nederlanden in deze periode is een wat een ondergeschoven kindje. De periode tussen 1700 en 1800 wordt er gewoonlijk gezien als een literair braakland. Een literatuurgeschiedenis schrijven over die periode is dan ook niet evident. Verschaffel, docent aan de KU Leuven, ging dus de uitdaging aan. En neen, dat was volgens zijn zeggen géén ondankbare taak.

‘De reden dat men een historicus en geen neerlandicus vraagt om dit specifieke onderdeel te schrijven, raakt de kern van de uitdaging voor de onderzoeker. Immers: wanneer je collega’s vertelt dat je met die achttiende eeuw in de Zuid-Nederlandse letteren bezig bent, merk je dat iedereen beleefd probeert een bekende naam te laten vallen, maar dat bijna niemand daarin slaagt. En dat bracht me meteen bij de centrale opzet van dit boek: verklaren hoe het komt dat er uit die periode geen gecanoniseerde auteurs zijn overgeleverd.’

‘Het theater wil een breed publiek bereiken, dus wordt daar op grotere schaal voor het Nederlands gekozen.’

Hoe komt dat dan?

‘In de achttiende eeuw is het Nederlands in het Zuiden geen gevestigde cultuurtaal. De Nederlandstalige letterkunde van die tijd is een onderdeel van een meertalige cultuur. Het hoger onderwijs gebeurt nog in het Latijn. De maatschappelijke bovenlaag en wie geschoold is, kent Frans. De geletterden zijn in wezen drietalig en schrijven dus ook in die drie talen. Er wordt wel in het Nederlands geschreven, maar dan vooral wanneer men een breed publiek wil bereiken. Dat levert veel opvoedende, stichtelijke teksten op, zonder veel blijvend literair prestige. Het theater van die jaren vormt een uitzondering. Dat genre wil een breed publiek bereiken, dus wordt daar op grotere schaal voor het Nederlands gekozen.

‘De letterkunde moet de mens dienen, verheffen en opvoeden. Ik weet niet of dat nu zo’n goede reclame is voor het boek.’

Maar ‘echte’ literatuur bedrijven doe je in deze periode niet in het Nederlands. Naar ‘schone letteren’ in het Nederlands is op dat moment nauwelijks vraag. Het publiek dat die echte literatuur interesseert, verkiest het Frans. Er is heel wat in het Nederlands geschreven en gepubliceerd, maar dat is niet tot de literaire canon gaan behoren. Literatuurhistorici hebben daarom ook nooit veel aandacht aan deze periode besteed. Tot nu toe was het onderzoek naar deze periode vooral het werk van mensen die zich vooral met de zeventiende of de negentiende eeuw bezighielden. Wijlen Jozef Smeyers was één van de weinigen die ik als voorganger op dit terrein kan beschouwen. Hij schreef in de jaren 1970 een eerste overzicht van de Zuid-Nederlandse letterkunde in de achttiende eeuw. Maar over het algemeen wordt de periode meer bestudeerd door historici dan door neerlandici. Zelf ben ik als cultuurhistoricus veel bezig geweest met de Oostenrijkse Nederlanden, en heb ik vroeger al heel wat gepubliceerd over een onderdeel van de letterkunde, de geschiedschrijving in de achttiende eeuw.’

‘De katholieke identiteit van de Zuidelijke Nederlanden onder Oostenrijks bewind creëert ook een scherp onderscheid met het Noorden.’

Hoe zag het intellectuele landschap van die tijd eruit? De achttiende eeuw is tenslotte de eeuw van de Verlichting en de Franse Revolutie.

‘Het boek bevat vijf hoofdstukken, waarvan één over de rol van religie en Verlichting voor de letterkunde en één over de politieke betekenis van de letterkunde in de Zuidelijke Nederlanden gaat. De katholieke identiteit van de Zuidelijke Nederlanden onder Oostenrijks bewind creëert ook een scherp onderscheid met het Noorden. Na de opstand in de zestiende eeuw was het Zuiden een katholiek bolwerk geworden en dat was het in de achttiende eeuw nog steeds.

In de tweede helft van de eeuw leeft de discussie over de Verlichte ideeën zeker ook in de Zuidelijke Nederlanden, met voor- en tegenstanders. Ook de discussie over de verhouding met de vorst wordt hevig gevoerd. Aan het einde van de achttiende eeuw, onder het bewind van de ‘Verlichte despoot’ Jozef II, krijg je een tegenbeweging die culmineert in de Brabantse Revolutie. Later komt het land in revolutionaire Franse handen. De letterkunde is in deze woelige tijd een instrument van politiek debat en propaganda. Daarnaast blijft dichtwerk over allerlei onderwerpen, over de natuur en het menselijk leven, in zwang. Veel van die literatuur, bedoeld voor ‘gewone’ mensen, is stichtelijk en moralistisch. De letterkunde moet de mens dienen, verheffen en opvoeden. Ik weet niet of dat nu zo’n goede reclame is voor het boek.’ (lacht)

‘De Zuidelijke Nederlanden kweken langzaamaan een eigen nationaal bewustzijn.’

Of we ze nu goed vinden of slecht, die literatuur weerspiegelt wel de tijd waarin ze ontstaat, toch?

‘De titel van het boek zinspeelt ook op de ontwikkeling van twee afzonderlijke sferen in de Nederlanden. Natievorming is voor deze periode nog een te sterk woord, maar de Zuidelijke Nederlanden kweken langzaamaan een eigen nationaal bewustzijn.’

Is er in de achttiende eeuw in het Noorden nog wat te merken van de bloei die de letteren in de Gouden Eeuw hebben gekend?

‘Het Noorden heeft een veel uitgebreidere literatuur dan het Zuiden. Daar is het Nederlands wél volop een cultuurtaal en zijn er veel meer lezers en is er dus een grotere vraag naar literatuur in het Nederlands. In de achttiende eeuw is er weinig literaire interactie tussen Noord en Zuid, maar het Zuiden zoekt wel literaire voorbeelden in het Noorden. Ook daar geldt Vondel als de grootste Nederlandstalige schrijver. In het Zuiden beseffen sommigen dat de eigen literatuur een achterstand heeft op het Noorden en dat men daar de voorbeelden moet zoeken om er iets aan te doen.’

De overheid beslist natuurlijk wel welke taal zij zelf gebruikte, maar wie wat in welke taal schreef of las, dat interesseerde haar niet.’

Hangt kwaliteit (of het gebrek daaraan) samen met de sociaal-economische context van die tijd?

‘Niet per se. De staat van de literatuur is niet het gevolg van armoede of rampspoed of juist van welvaart en rust. Maar uiteraard spelen sociale omstandigheden wel een rol. Dat het Frans in deze periode de cultuurtaal is, is een zaak van de maatschappelijke en culturele elite. Een groot deel van de bevolking kent enkel Nederlands, en vaak dan nog alleen een dialect daarvan, en is bovendien ongeletterd. Dat zijn natuurlijk factoren die bepalend zijn voor de aard en de omvang van de letterkunde die in deze maatschappij wordt geproduceerd. Daardoor is ook de rol van de overheid van invloed, zij het vooral onrechtstreeks. Er was zeker geen complot tegen de Nederlandstalige literatuur. De verfransing onder Oostenrijks bewind is niet het gevolg van bewuste taalpolitiek, dat is iets van de negentiende eeuw. De overheid beslist natuurlijk wel welke taal zij zelf gebruikte, maar wie wat in welke taal schreef of las, dat interesseerde haar niet.’

‘Ik heb niet het gevoel dat ik een over het hoofd geziene geniale schrijver heb ontdekt, die linea recta in de canon moet.’

Bent u op verrassingen gestoten tijdens de research?

‘Ik heb natuurlijk veel teksten gelezen die ik voordien nog niet kende, en die mij om één of andere reden hebben getroffen of inderdaad verrast. Maar ik heb niet het gevoel dat ik een over het hoofd geziene geniale schrijver heb ontdekt, die linea recta in de canon moet. Maar dat was ook niet de opzet van mijn onderzoek. Eerlijk gezegd heb ik ook niet zoveel met canons. Canons hebben als bedoeling schrijvers onder de aandacht te brengen, maar naar mijn gevoel verduisteren ze vooral de talloze andere schrijvers en teksten. Een canon lijkt het signaal te geven dat wat er niét in staat, niet gelezen hoeft te worden en in de vergetelheid thuishoort. In die optiek doen canons meer kwaad dan goed.’

Wat kunnen klassieke literatuurvorsers leren van uw aanpak?

‘Je kunt er niet omheen dat de achttiende eeuw een hiaat vormt in de literatuurstudie. Ik wil dat hiaat vooral begrijpelijk maken. Ik wil ook tegenspreken dat er helemaal niets te vinden is, en evenmin dat er geen evolutie of vernieuwing zou zijn geweest. Het theater maakt bijvoorbeeld wel een evolutie door, weg van het toneel in verzen, richting een meer natuurlijke speel- en spreekstijl.’

Het valt me op dat er nog geen auteursnamen uit die periode genamedropt werden tijdens dit gesprek.

‘Als ik al een favoriet heb uit die periode, dan misschien wel Jan-Baptist Hofman, een Kortrijkse toneelauteur, de vader van het burgerlijke drama in de Nederlanden. Of Jozef de Wolf: een intrigerende figuur. Hij was een priester, die maar enkele jaren literair werkzaam was, maar in die jaren heel veel publiceerde, onder meer een radicaal verlichtingswerk, enkele satirische teksten maar ook traditioneler moralistisch werk en gelegenheidsdichtwerk. Waarschijnlijk kwam hij in conflict met zijn hiërarchisch oversten, misschien trok hij naar het buitenland, maar hij is in de nevelen der tijd verdwenen. Cornelis Martinus Spanoghe was ook een zeer productief auteur, op vele vlakken actief, moralistisch, maar ook politiek als verdediger van het Oostenrijks regime. Een aantal figuren spelen een vrij grote rol en worden bijna hoofdfiguren in het boek: Jan Frans Cammaert, auteur van zowat honderd toneelstukken, Jan Pieter van Male, sleutelfiguur in de Brugse rederijkerij in het begin van de eeuw, en Godefridus Bouvaert, auteur van een handleiding voor dichters.

'Dit is ook het laatste deel uit de reeks , dus ik neem aan dat iedereen nu wel opgelucht is.’

De religieuze auteurs die het meest aandacht krijgen zijn Fulgentius Bottens en Fulgentius Hellynckx. Ook toneelvernieuwers als Pieter Joost de Borchgrave en Francis de la Fontaine verdienen een vermelding. Dat zijn auteurs die in het Nederlands publiceerden, maar het is typerend dat wellicht de belangrijkste auteur uit de Zuid-Nederlandse 18e eeuw Charles-Joseph de Ligne was, een vertegenwoordiger van de Europese Verlichting, die uiteraard in het Frans schreef. Ik ben er mij natuurlijk van bewust dat maar weinig of geen van deze auteurs bij de lezers van nu een belletje doen rinkelen. Zowat de enige gecanoniseerde naam is die van Jan Baptist Verlooy, auteur van een Verhandeling op d’onacht der moederlyke tael in de Nederlanden, waarin het gebruik van het Nederlands wordt verdedigd en de verfransing aangeklaagd. Om die reden is hij door de Vlaamse Beweging later als een voorloper geëerd. Overigens stond ook hij gewoon in zijn tijd, was hij meertalig en later werkte hij in dienst van het Franse regime in België.’

Bent u opgelucht dat het boek nu af is?

‘Ik heb er vijf jaar aan gewerkt en ben blij dat het nu klaar is. Het is een moeilijker oefening geworden dan ik aanvankelijk verwachtte. De oorspronkelijke opzet om samen met Inger Leemans en Gert Jan Johannes een gezamenlijk boek te schrijven over Noord én Zuid in de achttiende eeuw, hebben we moeten laten varen. Dit is ook het laatste deel uit de reeks , dus ik neem aan dat iedereen nu wel opgelucht is.’

Literatuurgeschiedenis

De weg naar het binnenland is het laatste deel in de reeks Geschiedenis van de Nederlandse literatuur. De reeks is opgezet als doorlopend verhaal met recente vondsten en de nieuwste wetenschappelijke inzichten. De serie, een initiatief van de Taalunie, is bedoeld voor zowel Neerlandici als voor een breder publiek. De verschillende delen beschrijven de literatuur uit Nederland en Vlaanderen van de middeleeuwen tot 2005. In januari 2017 wordt de reeks afgerond met een terugblik van de redactie.