Editie mei 2017

 

Kader Abdolah: 'Door het Nederlands ben ik een nieuwe man geworden.'
Rubriek: 
Auteur: 
Miet Ooms

MEERtaligheid dan OOIT!

Kader Abdolah: 'Door het Nederlands ben ik een nieuwe man geworden.'

Het Flageygebouw in Brussel. Daar streken op 22 april de Alumni Letteren van de Katholieke Universiteit Leuven neer voor een namiddag rond het thema ‘MEERtaligheid dan OOIT!’ Bestaat er in België een betere plaats om over dat thema te spreken en te debatteren dan Brussel, de meest taaldiverse stad van het land?

Terwijl in Vlaanderen de meertaligheid stilaan toeneemt, is in Brussel veeltaligheid al decennia de normaalste zaak van de wereld. Neem er de metro, en je hoort er op vijf minuten tijd minstens even veel talen. Wandel in de Kanaalzone of door Molenbeek, en je hoort de hele wereld om je heen. Eén taal is nog sterker aanwezig dan alle andere samen: het Engels. Dat alles wekt heel wat vragen op: hoe gaan we het beste om met die meertaligheid, wat is de plaats van het Nederlands en hoe zorgwekkend is die alomtegenwoordigheid van het Engels? Het zijn vragen die ook de Taalunie bezighouden. Om die reden sloegen beide partijen voor dit project de handen in elkaar.

Om te communiceren, ontwikkelde het hele gezin een eigen compacte gebarentaal die ook de gezinstaal was. Als baby, peuter en kleuter was het de enige taal die Kader kende.

Hoe taal zichzelf vernieuwt

Voorzitter Jan Hautekiet leidde de namiddag in en stelde met veel plezier de eerste spreker voor. De Iraans-Nederlandse auteur Kader Abdolah ‘gooide zichzelf naar het publiek’, zoals hij het zelf noemde, en vertelde met veel passie en humor over de drie talen die zijn leven hebben beheerst en nog beheersen. Hij begon verrassend genoeg met de gebarentaal van zijn vader, die doof en stom was. Om te communiceren, ontwikkelde het hele gezin een eigen compacte gebarentaal die ook de gezinstaal was. Als baby, peuter en kleuter was het de enige taal die Kader kende.

Pas toen de deuren van het huis voor hem opengingen, hoorde hij voor het eerst taal: het Perzisch, de tweede taal die hem als mens gevormd heeft. Via de lange geschiedenis van het Perzisch liet Abdolah zien dat een taal zichzelf opnieuw kan uitvinden ondanks én dankzij de invloed van andere talen. Zijn eigen moedertaal is onder meer eeuwenlang onderdrukt geweest door het Arabisch, maar is er in zijn ogen als een krachtige, nieuwe taal uitgekomen. Taal, geschiedenis en cultuur kunnen niet zonder elkaar bestaan.

De derde taal in het leven van Abdolah is het Nederlands. Het is de taal van het land waar hij naartoe was gevlucht, weg van de ayatollah’s en de taal waarin hij een gevierd schrijver werd. Zelf vindt hij dat niet hij het Nederlands beheerst, maar dat hij door die taal een nieuwe man is geworden.

Engels en veeltaligheid in onderwijs en maatschappij

Na het eerste muzikale intermezzo ging het debat van start. Moderator Ruud Hendrickx (VRT-taaladviseur en hoofdredacteur bij Van Dale) stelde de vragen en leidde het gesprek. De deelnemers waren, naast auteur Kader Abdolah, prof. emeritus Emiel Lamberts (historicus), prof. emeritus Johan Leman (voormalig directeur van het Centrum voor Gelijke Kansen en voor Racismebestrijding, nu Regionaal Integratiecentrum vzw Foyer in Molenbeek), Geert van Istendael (schrijver en opiniemaker) en Bart Dobbelaere (journalist). De heren bogen zich, ieder vanuit hun eigen ervaring en achtergrond, over vragen over de verengelsing, over meertaligheid in de wetgeving en in alle niveaus van het onderwijs en de band tussen taal en cultuur.

Het probleem in Brussel is dan ook niet dat er zoveel talen gesproken worden, wel dat de regelgeving een goede samenwerking tussen taalgroepen vaak in de weg staat.

Over de dominantie van het Engels maakten de meeste deelnemers zich niet al te veel zorgen. Dominante talen, zeker in de wetenschap en bij de overheid, zijn van alle tijden. Ooit was dat het Latijn, daarna het Frans en nu het Engels. Het verschil is wel dat het Engels door de globalisering nu veel algemener aanwezig is dan de vroegere dominante talen. Kleine talen en culturen lopen daardoor niet enkel het gevaar volledig te verdwijnen, het gebeurt ook effectief.

Maar het bestaan van een dominante taal doet niet automatisch kleine talen verdwijnen. In het meertalige Brussel zijn er zo drie: het Frans, het Nederlands en het Engels. In de dagelijkse praktijk worden er veel meer gesproken, volgens de laatste cijfers wel 104. Volgens Leman en Van Istendael hoor je die talen ook voortdurend als je door Brussel wandelt, soms drie, vier talen door elkaar in hetzelfde gesprek.

De meertaligheid van die jongeren wordt niet gehonoreerd, en zo gaat er veel talent verloren.

Het probleem in Brussel is dan ook niet dat er zoveel talen gesproken worden, wel dat de regelgeving een goede samenwerking tussen taalgroepen vaak in de weg staat. Zo illustreerde Leman hoe het aartsmoeilijk het is om een project te organiseren met Engels, Frans en Nederlands als voertalen. Ook omgaan met de veeltaligheid in het lager en middelbaar onderwijs is een complexe zaak. Een leerkracht kan onmogelijk alle thuistalen in de klas tot hun recht laten komen. Anderzijds verlaten veel jongeren in Brussel het onderwijs zonder diploma, enkel omdat ze de taalnormen voor het Nederlands of Frans niet halen. De meertaligheid van die jongeren wordt niet gehonoreerd, en zo gaat er veel talent verloren.

In het hoger onderwijs is het Engels prominent aanwezig. Universiteiten moeten het evenwicht vinden tussen twee uitersten. Aan de ene kant is het Engels belangrijk als je als universiteit op internationaal niveau een rol wil spelen. Anderzijds heeft een universiteit ook een verantwoordelijkheid tegenover de eigen gemeenschap, en kan het Nederlands niet zomaar aan de kant worden geschoven.

Binnen de wetenschappelijke wereld is het belang van publicaties in internationaal gerenommeerde tijdschriften, die vrijwel altijd in het Engels zijn, sterk toegenomen. De deelnemers aan het debat betreuren dat, omdat voor sommige domeinen publicaties in andere talen minstens even belangrijk zijn, zeker in de taal- en cultuurwetenschappen. Er moet ook voor gewaakt worden dat het Nederlands als wetenschapstaal niet wordt weggedrukt. Van Istendael waarschuwde voor het overnemen van typisch Angelsaksische denkpatronen, maar volgens Abdolah hoeven we ons daar geen zorgen om te maken. Een taal redt zichzelf wel, en denkpatronen passen we zelf automatisch aan.

Uit het Erasmushuis

Na dit genuanceerde debat stelde redactiesecretaris Annie Van Avermaet de zevende editie van het tijdschrift ‘Uit het Erasmushuis’ voor. ‘MEERtaligheid dan OOIT’ behandelt het thema vanuit heel diverse invalshoeken: hoe kun je zo efficiënt mogelijk een tweede/ vreemde taal leren, twee- en meertaligheid bij jonge kinderen, hoe moet het onderwijs omgaan met meertaligheid, het belang van het Engels in de wetenschap, migratiestromen en meertaligheid vroeger en nu, publiceren in diverse talen, vertalen van poëzie enz. Op heel wat vlakken overlapt het tijdschrift met wat er tijdens het debat werd gezegd. En tijdens de afsluitende receptie maakte het onderwerp van de dag de tongen los.

De muzikale intermezzo’s werden verzorgd door Klaas Delrue (Yevgueni, in het Nederlands en het Frans) en Stefan Dixon (in het Engels en het Afrikaans).

De Taalunie was de partner van dit project, sponsors waren de Nationale Loterij, De Cavalerie, Immo Detiège, de Vlaams-Zuidafrikaanse Cultuurstichting en Acco.

Net zoals de Taalunie ervan uitgaat dat het Nederlands kansen schept, ziet ze ook meertaligheid als een verrijking, met het Nederlands als onze eigen waardevolle bijdrage daaraan. De aanwezigheid van andere talen hoeft geen bedreiging te vormen voor het Nederlands en kan vooral van grote meerwaarde zijn voor de samenlevingen zelf. Daarbij is het wel belangrijk dat er een goed evenwicht wordt gevonden tussen het gebruik van het Nederlands enerzijds en dat van andere talen anderzijds. Hierover gaat de Taalunie graag het maatschappelijk debat aan.