Editie januari 2017

 

Jules Deelder: 'Humor is eigenlijk je kijk op het leven; ik zou niet anders kunnen zien.'
Rubriek: 
Auteur: 
Esther Wils
Foto: 
Annemarie Fok

Uierboord en sterf-op-straat-wors

Jules Deelder: 'Humor is eigenlijk je kijk op het leven; ik zou niet anders kunnen zien.'

Van 26 januari tot en met 1 februari is het Poëzieweek; Jules Deelder (‘dichter sinds zijn geboorte’) schreef het poëziegeschenk. De bundel Rotterdamse kost, want: ‘Dat gedoe met dat gekook, en zo, het wordt steeds achterlijker.’ Esther Wils sprak met hem. Over humor in de poëzie, grinniken om jezelf, uierboord, sterf-op-straat-wors en de gemeentecowboys van Rotterdam.

De Taalunie is benieuwd naar uw ideeën over humor in de poëzie. Heeft u daar een theorie over of is humor simpelweg onmisbaar in uw gedichten?

Ik heb daar geen theorie over; ik zou niet weten hoe ik het zonder moest doen.

Wie vindt u echt grappig?

Ehm … Jezus …

Waar kunt u nou echt hard om lachen, of bent u niet van de schaterlach?

Ik lach eigenlijk altijd een beetje inwendig, om de absurditeit, juist in alledaagse dingen. Je kan een waanzinnige tekst aantreffen, die heel anders bedoeld is maar die in een ander licht … Humor is eigenlijk je kijk op het leven; ik zou niet anders kunnen zien. Ik zie eigenlijk overal de humor wel van in, moet ik zeggen.

Welke dichters rekent u tot uw voorbeelden?

Die heb ik niet echt. Al dat gedoe over poëzie ... Weet je wel, een poëtica, dat je allerlei ideeën hebt over je werk, daar doe ik niet aan mee. Ik schrijf op mijn eigen manier. Je ken het goed vinden of niet goed vinden, maar ik weet in ieder geval wél dat er geen tweede is die zo schrijft. Ik moet soms nog weleens grinniken om mezelf.

U schrijft poëzie, maar je hebt ook een heleboel rijmelaars; waar ligt de grens tussen komische gedichten en versjes?

Ja, wanneer worden het gedichten? Daar is moeilijk de vinger op te leggen. Het moet natuurlijk een soort van universele werking hebben, weet je wel, dat iedereen erom in de lach schiet. Het wordt vaak weggezet als een geintje, maar het is wel degelijk zo dat daarin de eeuwigheid kan doorschemeren, niewaar?

Het is voor u wel een serieuze bezigheid; uw gedichten zijn echt maaksels.

Tuurlijk, dat is ook zo. Maar het uiteindelijke resultaat heeft vaak iets vanzelfsprekends, een langs-de-neus-weg-idee, effe uit de mouw geschud. Maar er wordt echt wel aan gewerkt, hoor. Af en toe komt het ook voor, áf en toe, dat je een gedicht in ene keer opschrijft, dat er geen woord meer af en geen woord meer bij hoeft. Dat is maar af en toe, hoor! Maar het is wel een goed gevoel.

Nog even over de bundel die u voor de Poëzieweek heeft geschreven. Ik ken een lang gedicht van Leo Vroman over de spijsvertering, maar geen cyclus over eten zoals u die nu heeft geschreven; het is waarschijnlijk een unicum. Hoe kwam u op het onderwerp?

Ja, moet je luisteren, tien gedichten … Die cyclus, dat waren er precies tien, dus kijk … En ja, humor, als je iets gaat schrijven óver humor … Ik heb nog nooit iets gelezen over humor wat leuk is. Je kan over alle onderwerpen wel schrijven, maar de laatste tijd, dat gedoe met dat gekook, en zo… Het wordt steeds achterlijker, het wordt een soort van freakshow, dat is toch absurd! Daar kan je dan ook even je licht over laten schijnen. Ik vond het wel humor dat die Rotterdamse kost in nu 15.000 exemplaren wordt verspreid.

Wat zijn eigenlijk uierboord en sterf-op-straat-wors?

Sterf-op-straat-wors is cervelaatworst.

O, natuurlijk! Dom …

En uierboord is wat het zegt; orgaanvlees, slachtafval, eigenlijk varkensvoer. Het is echt wel iets van vroeger tijden, eigenlijk. Het is nog wel te krijgen, maar zo’n bordje van vroeger op het raam bij de slager: ‘Heden uierboord’, dat zie je niet meer. Dan stonden die mensen echt met een pannetje klaar, want dat ‘most voor de sju’. De ietwat meer gefortuneerde mensen die aten dat niet, orgaanvlees, dat is een soort van mythe geworden. Er is geloof ik nog wel een uierboordgenootschap, in Rotterdam ergens, die komen eens per jaar samen. Dat zijn allemaal gasten die het zwaar gemaakt hebben in de zakenwereld, dan gaan ze hun afkomst vieren: niet vergeten waar je vandaan komt, dat soort dingen, niewaar? Er zal best nog wel een zaak zijn waar je het kunt krijgen, maar het is net als met paardenslagers: die heb je ook niet meer. Dat was ook voor mensen die het dure vlees niet konden betalen. Er waren toen ook nog veel meer paarden.

Ja, die trokken de trams, en de politie reed erop …

‘Gemeentecowboys’ waren dat, heb ik ook nog wel meegemaakt.

Paardenvlees schijnt heel lekker te zijn.

Zo! Paardenbiefstuk is hartstikke lekker. Dat is nu een bijzondere delicatesse geworden, net zoals paardenrookvlees ook.

Wat is uw eigen lievelingskostje?

Het is zo: als je vroeger jarig was dan mocht je zeggen wat je wilde eten. Dat was in mijn geval altijd rode kool, als kind, dat vond ik te gek. Met appelmoes en een balletje gehakt, hè? En kruidnagel natuurlijk ook … Ohhh … En af en toe dan zat je ook zo’n laurierblad te kauwen, haha. Je komt het niet meer tegen. Inmiddels kan je me met andere dingen ook wel blij maken, maar dat eten wordt wel zeer overdreven, ja. Het ene programma is nog gekker dan het andere: Kitchen impossible, tsss … Terwijl een groot gedeelte van de wereld nog steeds niet te vreten heb, en dat zal zo blijven, want hoe meer mensen er komen, hoe minder eten. Ja!

Heeft u zin in die tournee in de Poëzieweek?

Ja hoor, lekker, dat heb ik mijn hele leven al gedaan, met m’n band. Dat hoort er voor mij bij: on the road.

Mag ik nog één vraag stellen? Wat vindt u als Sparta-liefhebber ervan dat Feyenoord op 1 staat in de eredivisie?

Ik zeg het maar zo: Feyenoord mag van mij kampioen worden, als Sparta dan de beker maar pakt, hè? Daar heb ik dan wel vrede mee. Maar dat staat nog zeer ter discussie, of dat gaat gebeuren, dat dan weer wel.

Justus Anton Deelder, bekend als Jules, werd in 1944 geboren in Rotterdam. Hij is naar eigen zeggen dichter sinds zijn geboorte en debuteerde al voor zijn twintigste. Naast een aantal proza-uitgaven publiceerde hij inmiddels vijfentwintig dichtbundels, waarvan De grafsteen van Descartes (2013) de meest recente is. Zijn werk verschijnt bij De Bezige Bij.

Deelder noemt zichzelf ‘aucteur’: acteur en auteur, want hij draagt zijn poëzie graag en met verve voor, en maakt avondvullende theaterprogramma’s, waarin hij ook optreedt als drummer van het jazzcombo De Deeldeliers.

Voor de Poëzieweek 2017 schreef Deelder het geschenk: Rotterdamse kost, een cyclus van tien gedichten. Bij aankoop van minimaal € 12,50 aan poëzie geeft de boekhandel het cadeau. De Taalunie ondersteunt de Poëzieweek.